Posts tonen met het label Column. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Column. Alle posts tonen

woensdag 26 oktober 2011

Column Hans Reinders: ‘Kwaliteit van Bestaan’


Deze column gaat over het begrip ‘kwaliteit van Bestaan’, maar het duurt even voordat ik daar ben, want ik begin heel ergens anders, te weten bij de vraag wat antroposofische zorg bijzonder maakt. Dat deze vraag in antroposofische kring vaak wordt gesteld, heeft op zichzelf niets met antroposofie te maken, maar met het karakter van een identiteitsgebonden visie. Zorgaanbieders die zichzelf als ‘christelijk’ afficheren, staan voor precies dezelfde vraag. Sterker nog, de vraag is ook niet specifiek voor zorg, want ze geldt bijvoorbeeld ook in het onderwijs. In zoverre een identiteitsgebonden visie het hele bestaan omvat, geldt ze voor alle levensterreinen. Bijvoorbeeld ook voor de ethiek. Wat maakt ‘christelijke ethiek’ anders dan andere ethiek?

Omdat ik met deze laatste vraag vertrouwd ben, weet ik dat er in principe twee soorten antwoorden zijn. De eerste zegt dat ‘goed’ voor christenen precies hetzelfde inhoudt als voor andere mensen. Dit antwoord relativeert dus het ‘eigene’. Het tweede antwoord zegt dat christenen zich in hun antwoord laten leiden door de boodschap van het Evangelie. Dit antwoord benadrukt het eigene van de bijzondere bron waarnaar wordt verwezen.

Precies dezelfde onderscheiding kan ik maken in de antwoorden die in antroposofische kring worden gegeven. ‘De vraag wat antroposofische zorg onderscheidt is niet belangrijk; het gaat erom dat het goede zorg is.’ Dat is het eerste antwoord. Het tweede antwoord zegt: ‘Antroposofische zorg laat zich leiden door een bijzondere mensvisie die is ontleend aan de filosofie van Rudolf Steiner.’

In het onderzoek voor de Bernard Lievegoed leerstoel dat we aan de Vrije Universiteit in Amsterdam uitvoeren, speelt het begrip ‘Kwaliteit van Bestaan’ een belangrijke rol. In dat onderzoek komt de naam van Rudolf Steiner nergens voor, zelfs de term ‘antroposofie’ zult u niet in de stukken aantreffen. Toch kan ik aan de hand van het begrip ‘Kwaliteit van Bestaan’ laten zien dat de herkomst van wat we in dat onderzoek doen onmiskenbaar is.

In de zorgsector in Nederland wordt een theorie over ‘Kwaliteit van Bestaan’ aangehangen, die afkomstig is van de Amerikaanse onderzoeker Bob Schalock. Deze theorie wordt ingezet om te kunnen onderzoeken wat zorgsystemen bijdragen aan de kwaliteit van bestaan van hun gebruikers. Samen met andere onderzoekers heeft Schalock een theorie ontwikkeld die quality of life inventariseert in acht domeinen. Als je mensen waar ook ter wereld vraagt wat ze belangrijk vinden voor een goed bestaan, dan blijken ze antwoorden te geven die goed vergelijkbaar zijn. Ze laten zich rubriceren in domeinen als ‘lichamelijk welzijn’, ‘psychisch welbevinden’, ‘sociale relaties’, enzovoort.

Een van de acht domeinen die Schalock c.s. hebben geïdentificeerd, heet ‘ontwikkeling’. In de hele wereld blijken mensen het belangrijk te vinden dat ze hun talenten ontwikkelen. Dit is op zichzelf niet opmerkelijk. Wel opmerkelijk is dat je vanuit een antroposofische visie direct ziet dat dit een merkwaardige opvatting is. Hoezo is ‘ontwikkeling’ te kenschetsen als een apart domein? Zodra je de vraag eenmaal hebt gezien, wordt duidelijk dat de gevestigde theorie over ‘Kwaliteit van Bestaan’ iets statisch heeft. Ze lijkt te zeggen dat je voor de verschillende domeinen kunt beschrijven wat men in een bepaalde samenleving, of in een bepaald zorgsysteem, aan kwaliteit van bestaan heeft gerealiseerd, zonder daarbij te vragen naar de innerlijke krachten van de betrokken personen.

De betekenis van de antroposofische visie op goede zorg, wil ik maar zeggen, vereist niet dat je daarvoor iets expliciet ‘antroposofisch’ definieert. Je kunt volstaan met vragen stellen bij datgene wat in de zorg algemeen wordt aanvaard. Hoe beter je dat doet, hoe groter de impact van deze visie op het algemene begrip van ‘Kwaliteit van Bestaan’, ook al wordt die visie niet als zodanig gearticuleerd.

Hans Reinders

woensdag 25 mei 2011

De schaal van Boelhouwer


Een column van Hans Reinders

Evenals de meeste Nederlanders zult u ook wel denken dat de kwaliteit van leven van een hoogleraar bovengemiddeld is. Zelf was ik althans overtuigd van het feit dat ik tot een bevoorrechte klasse behoor. Natuurlijk, ook in het privéleven van een hoogleraar kan van alles misgaan, maar qua omstandigheden hebben professoren het niet slecht getroffen. Dat dacht ik tenminste, maar dat blijkt in mijn geval dus anders te liggen.

Hoe ik hierbij kom? Wel, ik heb even de test gedaan van het Sociaal Cultureel Planbureau om mijn objectieve kwaliteit van leven te meten. Kunt u ook doen. Ga even kijken op de SCP-site (www.scp.nl/leefsituatie) en u treft daar een vragenlijst aan, die u binnen enkele minuten heeft ingevuld. Na de laatste vraag te hebben beantwoord, klikt u op de knop ‘bereken mijn leefsituatie’, waarna er een teller op uw scherm verschijnt die uw score berekent. Bij mij bleef hij staan op een schamele 102.

‘102 wat?’ beet ik mijn pc toe. Gaat het over wind dan is de meeteenheid ‘Beaufort’; bij temperatuur is het ‘Celsius’ of ‘Fahrenheit’ en bij een aardbeving ‘Richter’. Maar wat is de meeteenheid voor onze objectieve kwaliteit van leven? Is daaraan ook een naam verbonden van iemand die de standaardtest heeft bedacht? De webpagina van het SCP gaf mij geen antwoord op deze vraag. Het enige dat werd vermeld was dat ik me voor vragen kon wenden tot ene Jeroen Boelhouwer.

Mijn score van 102 bleek 3 punten lager te zijn dan die van de gemiddelde Nederlander want die bedraagt 105 op de schaal van Boelhouwer, wat volgens de SCP-site betekent dat 36% van mijn landgenoten een lagere kwaliteit van leven heeft dan ik. Op zichzelf leek me dat nog wel aanvaardbaar, tot ik me realiseerde dat maar liefst 64% in betere leefomstandigheden verkeert! Een pijnlijke gewaarwording, aangezien ik me altijd gekoesterd heb in het feit dat ‘hoogleraar’ evenals ‘rechter’ tot de top vijf behoort van maatschappelijke posities die aanzien genieten.

Wat is de verklaring voor mijn tegenvallende score van 102 ‘Boelhouwers’? ‘Het salaris van hoogleraren dat niet in verhouding staat tot het aanzien dat ze genieten,’ mopperde ik tegen mijn pc. Maar dit klopte niet want – merkwaardig genoeg – was inkomen geen item op de SCP-vragenlijst. Wat dan wel? Wel, ik heb geen eigen huis en doe ook niet aan hobby’s en sport. Tenminste niet als het gaat om activiteiten die met enige regelmaat – laten we zeggen een keer in de maand – worden ondernomen. Hier staat tegenover dat ik werk, veel en hard, maar dat blijkt niet te helpen voor mijn score want ook werk is geen item op de lijst.

Gelukkig heb ik wel een auto, een dvd-speler en een magnetron, maar die hebben andere Nederlanders kennelijk ook want die blijken ook niet het verschil te maken. Het zal dus wel gaan om het feit dat mijn leefsituatie grotendeels door ‘werk’ wordt bepaald. Wat mij betreft helemaal OK, maar zo niet in de ogen van de Boelhouwers van het SCP.

Hans Reinders

woensdag 16 december 2009

Column: ‘De in het verleden behaalde resultaten en de toekomst...’ door Huib van den Doel

.
Bekend is de wettelijk verplichte waarschuwing bij het aanbieden van financiële producten: “De in het verleden behaalde resultaten zijn geen garantie voor de toekomst”. Dit geldt ook het werk van de antroposofische koepels die begonnen zijn als “Federatie Antroposofische Gezondheidszorg” en die nu voortgezet worden als “Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders”. Voor beide koepels heb ik gewerkt: bij de FAG als voorzitter en bij de NVAZ als krantenman. Mijn reguliere werkzaamheden voor de laatste koepel lopen ten eind op 1 januari a.s., en dit is mijn ultieme column die ik bij het door mij verzamelde, gesystematiseerde en becommentarieerde nieuws placht te voegen. Meer een toegift.

Ik begon voor de Antroposofen te werken in 1977, toen er door de Vrije scholen een congres werd georganiseerd over de vrijheid van onderwijs, en men behoefte aan een externe keynote-speaker. Op aanbeveling van Wouter de Gans en Arnold Henny (die mij goed kenden als directeur van éen van de Landelijke Pedagogische Centra) werd ik dat. Het congres was ook voor mij een daverend succes. Bij die gelegenheid noemde Bernard Lievegoed mij “mijn zoon”, en dat ben ik sindsdien gebleven. Interessant was ook dat zich onder mijn gehoor ook een Kamerlid bevond, ene Neelie (Smit-)Kroes, die mij prees als een “verademing” en zich dankbaar toonde met de getoonzette presentatie van de vrijheid. Zoiets was welkom in een tijd dat de minister Van Kemenade bezig was met een staaltje van staatspedagogiek.

Later, toen de VVD’er Pais op het punt stond minister van onderwijs te worden en een staatssecretaris van CDA-huize nodig had, werd ik daarvoor gevraagd op aanbeveling van Neeli Kroes en Nel Ginjaar-Maas. Ik ben het niet geworden doordat mijn lieve echtgenote mij voor deze ramp heeft behoed. Maar het vrijheidsideaal is bij me gebleven. Na het onderwijs kwam de gezondheidszorg bij de Nationale ZiekenhuisRaad en later bij ‘s Heeren Loo. Al die tijde ben ik onderdeel geweest van hét bewijs voor de effectiviteit van de antroposofische geneeswijze: mijn eeneiige tweelingbroer, geheel allopathisch behandeld, kreeg een dubbel herseninfarct en is nu zwaar gehandicapt, terwijl ik met exact dezelfde erfelijke aanleg de zegeningen heb mogen ontvangen via wijlen internist Diederik Houwert, die ik toen mijn “lijfarts” noemde. Na mijn VUT werd ik gevraagd voor het voorzitterschap van de FAG en voor de Raad van Toezicht van wat toen begon als de Bernard Lievegoed Kliniek. De FAG had net een geslaagd congres achter de rug dat handelde over therapievrijheid; bij de LievegoedKliniek was men tè vrij waardoor men dreigde het lot van de Zeylmanskliniek te volgen, wat verhinderd moest worden. Beide initiatieven leken erg op wat men in beleidstermen “een kruiwagen met kikkers” noemt. Toen kwam er ook nog in de gezondheidszorg een serie bewindslieden, die, naar het voorbeeld van “staatspedagogiek” een nieuwe vorm van staatsgezondheidszorg wilden bedrijven. Net doen alsof je niets kan helpen en of alle zware pieten ver buiten het ministerie en het parlement zijn gezeteld, en intussen de touwtjes steeds strakker aanhalen.

Dat werd een steeds grotere ramp voor de complementaire zorg. Aanvankelijk hadden de antroposofische zorgvoorzieningen het voordeel dat veel ambtenaren op WVC (later VWS) en ook inspecteurs kickten op het antroposofische zorgconcept. In de tijd, dat ik nog in de reguliere zorg werkzaam was, sleepte ik al heel wat beleidsmakers mee op werkbezoek naar Scorlewald, om te laten zien en voelen wat ideale zorg eigenlijk inhoudt. In mijn laatste werkverband bij ’s Heeren Loo probeerde ik zelfs bepaalde antroposofische-zorgprincipes, in de praktijk in te voeren. Het concern gedoogde dat, omdat een aantal denk- en werkvormen in de heilpedagogie een productief zorgmodel vormden voor verstandelijk gehandicapten dat een visie laat zien over de zin van het gehandicapt zijn en de wederkerigheid tussen medewerker en cliënt.

Maar ineens kwam er een nieuwe CDA-minister voor volksgezondheid: Ab Klink. Deze man is zeer intelligent en had al gauw door dat je alleen maar de baas kunt worden van die gigantische tak van zorg, als je jezelf omschoolt tot epidemioloog. Zo iemand heeft het natuurlijk niet alleen over vaccinaties (al erg genoeg) maar meet het geld binnen de collectieve middelen naar de maat van het rendement, dat wil zeggen: de nationale en globale winst en verlies van gezondheid, uitgedrukt in levensverwachting. Ik had al eens – ver voordat ik bij de antroposofen kwam werken – uitgerekend dat slechts éen kwart (met een beetje creatief boekhouden de helft) van het bestede geld aan gezondheidszorg leidt tot daadwerkelijke gezondheidswinst. Ik ga die som nu niet over doen, en volsta ermee te zeggen dat de rest van geld wordt besteed aan de manier waarop dokters, instellingen en cliënten met gezondheidszorg willen omgaan. Ik houd er nog steeds lezingen over. Geld verdelen in de zorg is dan een kwestie van keuze hoe je met die cultuur wilt omgaan.

Nu kom ik weer terug bij Neelie Kroes en haar voorlaatste portefeuille “mededinging”. Immers, er moet vrijheid van mededinging zijn in de zorg. Als er een pot met geld te verdelen valt moet niet overheid (de Volksvertegenwoordiging en de Bewindslieden) de keuze gaan bepalen volgens éen eenzijdige manier van denken. Als er schaarste van middelen is, geldt die voor alle “soorten keuzes”, die ik met Hugo Verbrugh graag “paradigma’s in de zorg” noem. Het FAG-congres in 2005 heeft aangetoond dat de antroposofische zorg in verschillende paradigma’s kan scoren, ook gemeten in epidemiologische begrippen. Als het gaat om “QALY’S”(Quality Adjusted Life Years, iets waar epidemiologen gek op zijn) scoort de antroposofie het best, zo werd door middel van onderzoek aangetoond!

In mijn laatste FAG-jaar heb ik voorgesteld om de inzet van de antroposofische zorg weer terug te brengen tot de eis van therapievrijheid, en vervolgens Mw. Neelie Kroes te vragen de Nederlandse overheid tot de orde te roepen als deze probeert een aantal paradigma’s op het gebeid van de complementaire zorg de nek om te draaien – of ernstig tegen te werken. Ik ben daarvoor zelfs een keer afgereisd naar Brussel om dit met ambtenaren daar te bespreken, die er wel oor naar hadden.

Maar ik liep al te veel naar mijn FAG-einde om dit idee handen en voeten te kunnen geven. Dit hing ook samen met de neiging van de meeste FAG-leden om naar hun eigen vrijheid te kijken en hun “good practise”. Je had soms het gevoel tegen de ‘kaai’ te vechten. Het denken vanuit een “zero-optie” (beginnen met niets en dan bedenken wat je nodig hebt) was een te moeilijke opgave op dat moment.

Maar wel wil ik kwijt, dat het succes bij het van tafel vegen van de BTW-optie voor de complementaire zorg, mogelijk is doordat enkelen achter de schermen de CDA-fractie hebben bewerkt met het voor deze fractie bekende thema van de vrijheid van onderwijs, en, in analogie daarmee, de vrijheid van het zorgparadigma. De eerlijkheid gebiedt daarbij te vermelden dat staatssecretaris De Jager het idee van de BTW-heffing waarschijnlijk altijd een beetje dwaas heeft gevonden, maar dit, vermoed ik, moest uitvoeren om het extra overheidsinkomen, dat door de gewraakte maatregel zou gegenereerd worden, te toucheren. Maar…hiermee heb ik willen aangeven, dat de enige manier voor onze zorg om te overleven, het hartstochtelijk beroep op therapievrijheid is, vrijheid van het eigen paradigma. Voor het geval dat te zeer in de knel komt, geef ik de huidige en toekomstige nieuwe beleidsmakers van de NVaZ de raad, nog eens te kijken naar het beroep op de vrije mededinging, met als bewaker de opvolger van Kroes, de Spanjaard Joaquin Almunia. De in het verleden behaalde, en mogelijk te behalen resultaten, vormen geen garantie voor de toekomst. Maar door het beleid aan te vechten op grond van vrijheid van Paradigma-keuze, ligt er wellicht voor ons iets goeds in het verschiet. God zegene die greep!

vrijdag 13 november 2009

Column ‘Wat kunnen “calculerende ouders” voor de instelling betekenen?’ door Huib van den Doel

.
In mijn praktijk vanuit de Stichting Hoofd-Hart-Handen heb ik de laatste tijd veel te maken gehad met `calculerende ouders’, die een kind of pupil hebben met een persoonsgebonden budget (PGB), dat in een instelling is geplaatst. Dit type ouders treedt ook op in instellingen zonder dat er sprake is van een PGB, als de indruk bestaat dat het vermeende `grote geld’ dat overheid voor hun kind aan de instelling betaalt, niet ten goede komt aan het kind zelf.

Deze ouders vragen mij dan om advies en hulp, wat mij in grote verlegenheid brengt, want ik zie het enigszins anders. Laat ik vooropstellen dat ik ervan overtuigd ben dat gehandicapt leven zin heeft, ook al zal ik volmondig toegeven dat het krijgen en het hebben van een gehandicapt kind voor een ouder een grote ramp is. Ik zou mij moeten schamen als ik vanuit mijn spirituele visie op de zin van ieder leven, het krijgen van een dergelijk kind als een cadeautje zou moeten aanprijzen. Toen ik zorgdirecteur was van de Willem van den Bergh-Stichting in Noordwijk, bemoeide ik me graag met sterfgevallen en begrafenissen van cliënten die bijna elke week voorkwamen. Ik praatte dan met de familieleden: vaak fantastische ouders. Maar een enkeling was gekomen omdat er – in de `rijke’ tijd van toen – wellicht iets te erven viel, nadat zij jarenlang de bezoekkosten (if any) hadden gedeclareerd bij de budgethouder van het veelal ernstig gehandicapte familielid. De medebewoners van de gestorvene echter toonden verbondenheid en leden sterk onder het verlies. Ik probeerde in een gesprek met de familie wel eens uit te leggen wat de geweldige bijdrage geweest was die de overleden cliënt aan de eigen woonomgeving en aan de samenleving had geleverd; er waren er die daarover hun schouders ophaalden en vonden het een goede zaak dat de dood nu een einde had gemaakt aan dit in hun ogen mislukte leven.

Maar er zijn ook cliënten van wat men vroeger `van hoog niveau’ noemde, een aanduiding van de cognitieve vermogens en de daarbij aangeleerde manieren en maniertjes; soms zijn deze afkomstig uit hetzelfde niveau: goed gebekte ouders, die uit het leven het beste slepen wat er te halen is. Hier is niets mis mee, want ook ik probeer dat: het goede recht van ieder mens. Jezus zei immers: `heb uw naaste lief als uzelf’, wat impliceert dat je ook jezelf lief moet hebben.

Er doet zich daarbij echter één probleem voor: je leeft in een omgeving met mensen die naar hetzelfde streven. En wat de een krijgt, moet de ander soms missen. Daarom heeft het onderwijs, als het goed is, sociaal besef bijgebracht. Vroeger spraak Van Kemenade over `sociale bewustwording’, maar daarmee bedoelde hij iets anders. Mij gaat het erom, te letten op het feit dat je in een samenleving leeft waar meer mensen dan jij alleen rechten hebben, waarvoor je soms iets moet inleveren.

Sommige ouders kunnen daar niet bij, want zij hebben dan de neiging om – onbewust – hun frustraties over de handicap van hun zoon of dochter om te zetten in spervuur jegens de instelling waar het kind een liefdevol onderkomen heeft gevonden omdat de vader of moeder het niet meer aankon. `Hoeveel geld krijgt die instelling voor mijn dochter? Komt dat allemaal wel ten goede aan mijn kind? Hoeveel uren begeleiding krijgt hij/zij per week? Vast veel minder dan waarvoor betaald wordt?’

Die arme directeuren van zulke instellingen, die toch al niet weten waar ze het zoeken moeten met al die bezuinigingen en steeds veranderende wet- en regelgeving, mogen dan ook nog per geval gaan verdedigen hoe hun uitgavenpatroon in elkaar zit. Vanwege de bezuinigingen hebben zij ook geen mensen (meer) in dienst die deze discussies voeren. Het doet me denken aan die garage, waar een bord aan de muur hing met de tekst `Klachten kunnen we niet aannemen wegens personeelsgebrek’. Dat is een lachwekkend beeld, maar niet geheel bezijden de waarheid.

Die ouders zitten er ook niet helemaal naast. Het is een goede zaak dat door de instelling duidelijk gemaakt wordt welk geld er aan iedere cliënt wordt besteed. Dat is soms een individuele uitgave, soms een bedrag voor de groep waarin het kind of de pupil zich bevindt. Ook is er nu, behalve een persoonsgebonden budget, een zorgzwaartepakket (zzp), waaruit ook kan blijken wat die cliënt `opbrengt’. Natuurlijk moet er tussen de uitgaven en inkomsten een evenwicht zijn, maar men moet goed begrijpen dat er aanzienlijke overheadkosten zijn (die niets te maken hebben met de auto van de directeur), en dat je niet alles wat er gebeurt in de instelling, per cliënt kunt uitrekenen.

Want er is geen sprake van een eenrichtingverkeer. Een gehandicapte is nooit geestelijk gehandicapt, want zijn geest is eeuwig (vanuit de geestelijke wereld gekomen, en teruggaand naar de geestelijke wereld) en onbeschadigd. Hij is `slechts’ verstandelijk beperkt. Hij heeft een `karwei’ op aarde. Bij de vervulling van dit karwei moet hij geholpen worden door... medewerkers, die ook een `karwei’ hebben. Ze helpen dus elkaar.

Er kan dus nooit sprake zijn van een eenzijdig zorgproduct dat aan de cliënt wordt gegeven. De medewerker is zelf onderdeel van het zorgproduct. Vanuit die wederkerigheidsgedachte geeft de cliënt ook aan de medewerker zorg. In mijn praktijk in zorginstellingen heb ik daarvan tal van voorbeelden voor ogen gezien en heb ik er ook zelf van geprofiteerd.

Je hebt dus te maken met een leefgemeenschap waarin een zekere mate van solidariteit behoort te gelden. Het is zou te `bejammeren’ zijn als een antroposofisch geïnspireerde instelling wordt benaderd als ware het een Supermarkt die twee flessen te weinig melk heeft geleverd voor de gepresenteerde rekening. Dit is in strijd met twee antroposofisch geïnspireerde principes: a) De onderlinge solidariteit, en b) Het principe van de wederkerigheid in de relatie tussen medewerker en cliënt.

Vanuit dit uitgangspunt kan de directeur gerust tijd vrij maken om met de ouders te spreken. De ouders, de instelling en hijzelf zullen er rijker van worden.

Huib van den Doel

dinsdag 13 oktober 2009

Meer trek- en duwkracht in onze sector nodig


Column door Huib van den Doel

Bestuurders en toezichthouders van antroposofische instellingen zijn beste mensen. Ze zijn vaak contemplatief van aard, en bekijken dan alles in het macroperspectief van de eeuwigheid. Echter, de bommenwerpers vliegen over je heen, en er wordt af en toe met haarfijne technologisch uitgedokterde precisie gaten geschoten in onze vermeende bron van eeuwige welvaart: de oude subsidieregels en het welwillend overleg met de zorgkantoren. Daar konden onze beschouwende mensen met een brede kijk op mens en samenleving nog wel scoren.

Helaas, die tijden zijn voorbij. De meest ingrijpende maatregelen die onze sectoren sterk zullen verarmen, worden thans genomen, terwijl onze bestuurders en toezichthouders zich soms gedragen als bij onze Albert Heijn op het Soendaplein in Haarlem: daar rijdt af en toe een treintje in de lucht rond om het kooplustige publiek en hun kinderen te amuseren. “Kijk, daar gaat weer zo’n ding. Weer zo’n maatregel van de overheid. ’k Zou maar niet te snel in actie komen, want morgen zijn er weer andere regels”, zo lijken wij soms te denken. We vervallen zo in een suffige slaap, en morgen worden we verschrikt wakker; overmorgen gaan we bijna failliet. Ja, en dan is Leiden in last. Dan komen er verzoeken om steun en handtekeningenacties. Net zoals toen vele jaren geleden de lagere school en de kleuterschool werden samengevoegd. We mochten protesteren en de boel proberen terug te draaien toen het beleid zich al volledig voltrokken had.

Niet alleen van de bestuurders (de directeuren) wordt een totaal andere houding verwacht, maar ook van de toezichthouders. Dat is niet meer het old-boys-network van de jaren zeventig, maar een groep van zeer deskundige en bij-de-tijdse mensen die elk op hun specifiek terrein als een spin in het web gereed moeten staan om de vlieg te vangen en in te spinnen, en het bestuur (de directie) bij de les te houden. In onze sector komt daarvan – zo is mijn oppervlakkige waarneming – nog ‘niks’ terecht. Want daarvoor zijn karaktereigenschapopen nodig die in onze sectoren niet erg welkom zijn. Niet alleen assertiviteit: het attent zijn, maar ook een vorm van agressiviteit.

Ieder mens is ook een agressief wezen met duw- en trekkracht. De strijd om het bestaan begint al in de moederschoot, waarin men een zo groot mogelijk deel van de koek probeert te verwerven, vooral als je daar met z’n tweeën of zelfs met z’n drieën bent. Eenmaal op aarde, gaat het erom deze agressiviteit niet te ontkennen of te verdoezelen, maar daaraan vorm te geven, zodat deze eigenschap op een voor de samenleving productieve wijze kan worden geëxploiteerd. Samenwerken betekent dan niet zo lief mogelijk voor elkaar zijn, maar elkaars trek- en duwkracht in goede banen kunnen leiden.

Raden van Bestuur en Raden van Toezicht moeten dus streng zijn, streng voor zichzelf en streng voor hun omgeving. Veel Raden van Toezicht weten niet dat zij, en niet het bestuur, de accountant moeten aanstellen, en dat deze accountant niet aan het bestuur maar aan de Raad van Toezicht verantwoording schuldig is. Raden van Toerzicht moeten indringender over de schouders van besturen meekijken, meer dan hun lief is. Het besturen op grote afstand wordt dan verleden tijd, maar anderzijds mag de toezichthouder nooit op de stoel van de bestuurder gaan zitten. Als de Raad van Toezicht en het Bestuur in dit spel niet mee kan, zijn deze niet meer van onze tijd, en de instelling dus ook niet.

Velen zullen zeggen dat agressief getinte gevoelens verkeerde eigenschappen zijn, die zeker niet passen in de Platonisch-Sofisch opgebouwde trap van bewustwording. Maar naast Plato hebben we ook nog Aristoteles’ Ethica, die de grondlegger is van onze kernkwaliteitenleer. Dit houdt in dat iedere eigenschap ‘goed’ kan zijn, mits ervan niet te veel of te weinig voorhanden is. De mens staat in het midden; hij moet zich ‘auseinander setzen’ met het kwade, en er zich dus mee verbinden, zonder eraan ondergeschikt te geraken. (Hierover ben ik een boekje aan het schrijven).

Dus, antroposofen, word wakker! Laten onze voormannen staan te trappelen van ongeduld om toe te slaan, zoals ik laatst iemand uit onze kring hoorde zeggen: “gaan voor die banaan!” Naar binnen: ophouden met dromen, en de handen uit de mouwen steken. Alle hens aan dek, want anders vergaat het schip! Naar buiten: geef de keizer wat des keizers is. Ik refereer hierbij aan een Bijbelverhaal, dat velen helaas niet meer kennen, waar Jezus de Christus in een gelijkenis (parabel) de schriftgeleerden de les gaf: Er is voor alle zaken een terrein; geef God wat aan God is, maar voldoe jij aan je aardse verplichtingen. Bij dat laatste hoort soms een portie duw- en trekkracht, gekanaliseerd en zelfs gesublimeerd: dus naar een hoger abstractieniveau getild, zoals in deze column.

Huib van den Doel

dinsdag 1 september 2009

Column: "Uit de doden opgestaan"

Het lijkt niet zo moeilijk om de draak te steken met de WHO-drakendoder Klink die heroïsch in Nederland het monster bestrijdt dat nog steeds ‘Mexicaanse griep’ heet.

Door mediageile epidemiologen en virologen wordt het schrikbeeld gecreëerd van een verwoestende Tsunami van virussen waartegen de overheden drastische maatregelen moeten nemen om het volk niet reddeloos ten onder te laten gaan. Dat levert in ieder geval meer geld op voor virologische onderzoeksprogramma’s en voor de farmaceutische industrieën. Er worden dan grote bedragen geïnvesteerd in vaccins voor alle-burgers-twee-maal, terwijl al bekend is dat velen zich niet zullen laten inenten, want dat deden ze voorheen ook al niet, zoals de mislukking van het baarmoederhals-kankerproject laat zien. Dan maar extra dreigen met veel doden, gesteund door de World Health Organisation (WHO), die bovendien waarschuwt voor een mutatie van het virus in dit najaar. Het absurde van het laatste is, dat de bestelde vaccins, gebaseerd op het huidige virus, dan helemaal kansloos en dus zinloos zijn.

Maar al dat dreigen helpt niet bij mensen-met-verstand, want éenderde van alle verpleegkundigen heeft bij enquête meegedeeld, af te willen zien van een vaccinatie, al dreigen hun superieuren op hun beurt met uitsluiting. Het is wellicht diezelfde groep waarvan al eerder is bewezen dat zij complementaire geneeswijzen appreciëren en zelf ook ‘consumeren’, omdat zij niet altijd een koekje van eigen deeg lusten. Bovendien zijn ze bang als proefkonijn te worden gebruikt.

Enorme porties Tamiflu worden besteld en de apotheken worden ermee bevoorraad, totdat blijkt dat het medicijn erg nare bijwerkingen heeft en de duur van ziekte kan bekorten met maar éen dag. Preventief mag je het niet gebruiken want dan werkt het niet meer als de echte nood aan de vrouw komt. Het Tamiflu-beleid muteert ook snel; de Britten hebben het gedumpt en vervangen door Relenza. De Belgische epidemioloog Luc Bonneux betwijfelt het effect van Tamiflu over de bijwerkingen van de Mexicaanse griep, en spreekt van de “griepmaffia”.
De familie van de eerste dode in Nederland (iemand met multipele pathologie, evenals de tweede dode) wordt door de minister persoonlijk gecondoleerd, maar daarna vindt de mutatie van het griepbeleid plaats, als gevolg van de reductie van het H1N1-virus tot een gewone griep. Alleen de risicogroepen wordt een vaccin aangeboden, zoals daar zijn: zwangere vrouwen(!), baby’s(!), (onwillige) verpleegkundigen. Nee, dwingen kan je ze niet.

Maar wat bezielt minister Klink om van dat alles de motor te wezen? Hij heeft, zo komt het mij voor, groot belang bij een epidemiologische benadering van de hele zorg, want dan kan je immers sturen op hoofdlijnen en je laten belonen door gunstige mortaliteit- en morbiditeitcijfers. In Engeland waar de levensverwachting niet slechter is als in het veel duurdere Nederland, wordt vrijwel alleen epidemiologisch gestuurd; weliswaar is er in geen Europees land zoveel gezeur van patiënten, maar ja, die klachten hebben te maken met de ‘cultuur’ van omgaan met ziekte en gezondheid, niet met gezondheidswinst.

Bovendien schenkt, zo vermoed ik, een al dan niet bestaande pandemie de minister de kans nog meer op de zoëven aangeduide ‘cultuur’ te bezuinigen en daarbij de mooie rol te vervullen van de redder des vaderlands en van het bedrijfsleven, dat dankzij de grote ingeslagen hoeveelheid vaccins en Tamiflu niet plat hoeft te gaan.

dinsdag 28 juli 2009

Column: "Cowboys in de zorg"

Er is een brief van Klink en Bussemaker naar de Tweede Kamer over de commercialisering in de zorg, die besproken wordt in NRC/Handelsblad van 9 juli: “Kabinet maakt einde aan cowboys in de zorg”.
Eindelijk, zo wordt gesuggereerd, is de minister teruggekeerd op zijn schreden en roept nu de commercialisering een halt toe. In de eerste plaats heeft men niet door of hier Klink dan wel Bussemaker spreekt (zie NRC/Handelsblad van 17-8 in een artikel van twee hoogleraren). In de tweede plaats merkt men niet op, dat de zwarte piet van de bezuinigingen handig bij de (vermeende) cowboys wordt gelegd, zodat er tenminste zondebokken zijn die publiekelijk kunnen worden gelyncht.

Wat toch is het geval? De gehele zorg wordt overspoeld met de ene bezuinigingsgolf na de andere. Dit wordt door Den Haag geregisseerd als ware de gezondheidszorg een totalitair, bijna communistisch systeem, dat je van bovenaf kan aansturen. Om deze onheuse gang van zaken, die volstrekt uit de tijd is, te verbloemen, worden er commercialiseringplannen gelanceerd. Net of er veel te verdelen valt en of er vette winsten te boeken zijn. In werkelijkheid worden geen overschotten, maar tekorten verdeeld, of, zoals men het wel in Den Haag noemt, “verschmerzt”.
Het commerciële model wordt ingezet om de zorg zich intern uit te laten dunnen door concurrentie, zodat de bezuinigingstaakstelling die minister Klink heeft aanvaard, ook daadwerkelijk gerealiseerd kan worden zonder dat de bewindsman of –vrouw uitspraken of oordelen over zorginhouden hoeft te doen. Zo blijft hij/zij in de luwte, en laat hij het slagveld zelf zijn werk doen. De overheid denkt op deze manier geen waarden te hoeven kiezen of te verwerpen.

Daarom is het commercialiseringverhaal innerlijk tegenstrijdig en daardoor vals. Het gaat er alleen om, van de pijn van het geldtekort af te zijn, en het dure zorgvolk zichzelf te laten saneren, happend naar de wortel van rijkdom en winstdeling , maar stikkend in het ene tekort na het andere.
Geeft de brief van bewindslieden naar de Tweede Kamer soulaas? Het is heel gemakkelijk om de indruk te wekken dat de tekorten in de zorg alleen zouden ontstaan door de miskleunen bij de ‘corporate governance’. En dat de kwaliteit de overheid wel degelijk aan het hart zou gaan.
Net te doen of nu niet het economische maar de zorginhoud aan bod gaat komen, is echter een gotspe. Kwaliteit kan niet gediend worden met kortingen alleen. Als de overheid werkelijk begaan was met de inhoud van de zorg, had men geen lumpsum van 3,2 miljard aan bezuinigingen geaccepteerd, maar had men pal gestaan voor de gedetailleerde en gespecificeerde kwaliteit.
Politieke partijen die strijden voor of tegen de commercialisering, doen dat alleen om het eigen politieke vaandel rechts of links te laten wapperen, bij gebrek aan eigen visie en inhoud.

Het gevecht tussen wat ‘rechts’ en wat ‘links’ heet over de commercialisering van de gezondheidszorg, dient alleen het volksvermaak. Zo iets als de stierengevechten waarbij het voor de stier altijd verkeerd afloopt. De echte cowboys zitten in Den Haag.

Huib van den Doel
 
Site Meter