Posts tonen met het label Bernard Lievegoed Leerstoel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bernard Lievegoed Leerstoel. Alle posts tonen

donderdag 28 maart 2013

Recapitulatie en bezinning bij de NVAZ

De ledenvergaderingen in november 2011 en mei 2012

Het wordt tijd De Digitale Verbreding nieuw leven in te blazen. Een goede aanleiding is er ook: de aanstaande Algemene Ledenvergadering op 25 april. De laatste keer dat u hier De Digitale Verbreding kon lezen, was in oktober 2011. Meteen de maand erop werd een Algemene Ledenvergadering gehouden. Aan het eind van dezelfde maand schudde een van de grootste lidinstellingen van de NVAZ, de Zonnehuizen, op zijn grondvesten: er moest surséance van betaling worden aangevraagd. Vervolgens in december 2011 failliet verklaard, in januari 2012 overgenomen door LSG-Rentray en de Groep Winter. Die gebeurtenis liet ook de NVAZ niet onberoerd.

Kwaliteit
Wat is er in de tussentijd allemaal gebeurd bij de NVAZ? In mei 2012 werd een Algemene Ledenvergadering gehouden, waarvan hier, net als die in november 2011, nog geen verslag is gedaan. Daarom roepen we deze twee kort even in herinnering. 17 november 2011 was de succesvolle eerste eendaagse Herfstconferentie van de NVAZ, met als thema: ‘Michaël als tijdgeest’. Zo’n honderd deelnemers kwamen hier op af en deelden onder leiding van Raoul Grouls enthousiast hun ervaringen.
Aansluitend werd ’s avonds de Algemene Ledenvergadering gehouden, met als speciale gast prof.dr. Hans Reinders, houder van de Bernard Lievegoed leerstoel in Amsterdam, die vertelde over de door hem ontwikkelde methode van ‘Beelden van kwaliteit’ (zie ook http://beeldenvankwaliteit.nl/, bijvoorbeeld ‘Leerervaringen binnen Rozemarijn’), waarvoor brede belangstelling bestaat. Niet alleen bij antroposofische instellingen, maar ook reguliere; verder hebben ook zorgverzekeraars en de overheid veel belangstelling getoond voor deze kwalitatieve methode.
Tijdens de vergadering werd gemeld dat in het kader van het project ‘Opleidingen in verbinding’, waarvan de coördinatie bij de NVAZ lag, men volop bezig was met de ontwikkeling van een basismodule Antroposofische Gezondheidszorg. En ook werd verteld hoe ver het stond met de ontwikkeling van de vernieuwde website. Heuglijk te noemen was het feit dat het gelukt was in drie jaar tijd de contributie met een derde te verminderen. Zorgen waren er ook, gezien de destijds al gedeeltelijk bekende, weinig rooskleurige financiële situatie bij stichting Zonnehuizen. Gevreesd werd voor de gevolgen voor de NVAZ als zij niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen.

Persbericht
De volgende Algemene Ledenvergadering op 16 mei 2012 stond in het teken van bezinning en recapitulatie. Voorzitter Bert Vroon moest constateren dat de NVAZ een bescheiden organisatie met een beperkt secretariaat is en niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het management van en het toezicht op zijn lidinstellingen. Om die reden had de NVAZ op 9 december 2011 ook een persbericht uitgegeven met de volgende inhoud:
‘Met grote bezorgdheid volgt het bestuur van de NVAZ de ontwikkelingen bij stichting Zonnehuizen, de grootste lidinstelling van de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders. Tot onze grote spijt moeten ook wij vaststellen dat de situatie zeer ernstig is. Momenteel opereert een bewindvoerder en zelfs een faillissement kan niet worden uitgesloten. In relatief korte tijd is stichting Zonnehuizen in financieel zwaar weer verzeild geraakt: voor zover ook wij hebben kunnen vaststellen moet dit helaas worden toegeschreven aan inadequaat toezicht op een bedrijf en management dat niet ‘in control’ bleek.
Wij betreuren de situatie die ontstaan is zeer voor de betrokken cliënten en hun families, zo ook voor het personeel dat zich zoveel jaren professioneel heeft ingezet. Stichting Zonnehuizen is de oudste antroposofische zorgaanbieder en kan terugzien op een rijke traditie. Wij hopen oprecht dat een doorstart van deze prachtige organisatie in welke vorm dan ook mogelijk blijft met behoud van de zo inspirerende antroposofische identiteit. Uit het land bereiken ons veel bezorgde vragen. Wij kunnen die geheel begrijpen.
Allereerst moet geconstateerd worden dat de zorg bij stichting Zonnehuizen niet ter discussie staat. De inspectie heeft slechts in een uitzonderingssituatie een maatregel genomen. De cliëntenzorg gaat onverminderd en gekwalificeerd verder. De kwaliteit en professionaliteit van de andere antroposofische zorgaanbieders in Nederland staat evenmin ter discussie. Integendeel: inspectie en zorgkantoren zijn zeer tevreden over de zorg zoals geleverd door de zorgaanbieders uit het antroposofische veld. Volgens onze informatie zijn de andere antroposofische zorginstellingen financieel gezond en is er geen sprake van verscherpt toezicht door de inspecties.
De NVAZ is een samenwerkingsverband van de antroposofische zorg, waarbij de institutionele zorgaanbieders, de beroepsverenigingen en de therapeutica zijn aangesloten. In die zin bewaken wij kwaliteit en professionaliteit van de zorg onder onze leden maar kunnen wij geen verantwoording nemen voor het door individuele leden gevoerde beleid.
Wij hopen oprecht voor alle betrokkenen dat voor stichting Zonnehuizen, haar cliënten en personeel een inspirerende toekomst geboden kan worden.’

Uitdaging
Verder kon de voorzitter melden dat uit de jaarrekening 2011 van de NVAZ bleek dat het jaar 2011 was afgesloten met een positief eigen vermogen van € 140.966. Maar niettemin concludeerde het bestuur tot slot in haar jaarverslag:
‘Het Bestuur kijkt met gemengde gevoelens terug op 2011. Voor wat betreft de NVAZ kan van een zeer constructief en vruchtbaar jaar worden gesproken, zowel inhoudelijk als financieel. We vermeldden dat in ons jaarverslag.
De teloorgang van stichting Zonnehuizen echter stelt ons opnieuw voor een uitdaging waarvan de consequenties niet geheel te overzien zijn. Desalniettemin zien we het jaar 2012 met vertrouwen tegemoet. Immers de vitaliteit van de Antroposofische Gezondheidszorg is buitengewoon en – meer dan ooit – maatschappelijk relevant. In dat beeld zal ook deze zorg nieuwe perspectieven weten te vinden.’
Om deze vitaliteit te onderstrepen was de lector Antroposofische Gezondheidszorg aan Hogeschool Leiden, Erik Baars, als gast aanwezig. Hij was op 18 november 2011 aan Wageningen Universiteit gepromoveerd tot doctor in de geneeskunde met het proefschrift ‘Evidence-based Curative Health Promotion’. Hij hield een presentatie van de voortgang en de veelbelovende toekomstplannen van het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg (zie ook http://www.hsleiden.nl/lectoraten/Antroposofische-gezondheidszorg/).
De meest recente Algemene Ledenvergadering was op 11 december 2012. Een verslag hiervan kunt u lezen in ‘De NVAZ in perspectief’.

Michel Gastkemper

woensdag 26 oktober 2011

Column Hans Reinders: ‘Kwaliteit van Bestaan’


Deze column gaat over het begrip ‘kwaliteit van Bestaan’, maar het duurt even voordat ik daar ben, want ik begin heel ergens anders, te weten bij de vraag wat antroposofische zorg bijzonder maakt. Dat deze vraag in antroposofische kring vaak wordt gesteld, heeft op zichzelf niets met antroposofie te maken, maar met het karakter van een identiteitsgebonden visie. Zorgaanbieders die zichzelf als ‘christelijk’ afficheren, staan voor precies dezelfde vraag. Sterker nog, de vraag is ook niet specifiek voor zorg, want ze geldt bijvoorbeeld ook in het onderwijs. In zoverre een identiteitsgebonden visie het hele bestaan omvat, geldt ze voor alle levensterreinen. Bijvoorbeeld ook voor de ethiek. Wat maakt ‘christelijke ethiek’ anders dan andere ethiek?

Omdat ik met deze laatste vraag vertrouwd ben, weet ik dat er in principe twee soorten antwoorden zijn. De eerste zegt dat ‘goed’ voor christenen precies hetzelfde inhoudt als voor andere mensen. Dit antwoord relativeert dus het ‘eigene’. Het tweede antwoord zegt dat christenen zich in hun antwoord laten leiden door de boodschap van het Evangelie. Dit antwoord benadrukt het eigene van de bijzondere bron waarnaar wordt verwezen.

Precies dezelfde onderscheiding kan ik maken in de antwoorden die in antroposofische kring worden gegeven. ‘De vraag wat antroposofische zorg onderscheidt is niet belangrijk; het gaat erom dat het goede zorg is.’ Dat is het eerste antwoord. Het tweede antwoord zegt: ‘Antroposofische zorg laat zich leiden door een bijzondere mensvisie die is ontleend aan de filosofie van Rudolf Steiner.’

In het onderzoek voor de Bernard Lievegoed leerstoel dat we aan de Vrije Universiteit in Amsterdam uitvoeren, speelt het begrip ‘Kwaliteit van Bestaan’ een belangrijke rol. In dat onderzoek komt de naam van Rudolf Steiner nergens voor, zelfs de term ‘antroposofie’ zult u niet in de stukken aantreffen. Toch kan ik aan de hand van het begrip ‘Kwaliteit van Bestaan’ laten zien dat de herkomst van wat we in dat onderzoek doen onmiskenbaar is.

In de zorgsector in Nederland wordt een theorie over ‘Kwaliteit van Bestaan’ aangehangen, die afkomstig is van de Amerikaanse onderzoeker Bob Schalock. Deze theorie wordt ingezet om te kunnen onderzoeken wat zorgsystemen bijdragen aan de kwaliteit van bestaan van hun gebruikers. Samen met andere onderzoekers heeft Schalock een theorie ontwikkeld die quality of life inventariseert in acht domeinen. Als je mensen waar ook ter wereld vraagt wat ze belangrijk vinden voor een goed bestaan, dan blijken ze antwoorden te geven die goed vergelijkbaar zijn. Ze laten zich rubriceren in domeinen als ‘lichamelijk welzijn’, ‘psychisch welbevinden’, ‘sociale relaties’, enzovoort.

Een van de acht domeinen die Schalock c.s. hebben geïdentificeerd, heet ‘ontwikkeling’. In de hele wereld blijken mensen het belangrijk te vinden dat ze hun talenten ontwikkelen. Dit is op zichzelf niet opmerkelijk. Wel opmerkelijk is dat je vanuit een antroposofische visie direct ziet dat dit een merkwaardige opvatting is. Hoezo is ‘ontwikkeling’ te kenschetsen als een apart domein? Zodra je de vraag eenmaal hebt gezien, wordt duidelijk dat de gevestigde theorie over ‘Kwaliteit van Bestaan’ iets statisch heeft. Ze lijkt te zeggen dat je voor de verschillende domeinen kunt beschrijven wat men in een bepaalde samenleving, of in een bepaald zorgsysteem, aan kwaliteit van bestaan heeft gerealiseerd, zonder daarbij te vragen naar de innerlijke krachten van de betrokken personen.

De betekenis van de antroposofische visie op goede zorg, wil ik maar zeggen, vereist niet dat je daarvoor iets expliciet ‘antroposofisch’ definieert. Je kunt volstaan met vragen stellen bij datgene wat in de zorg algemeen wordt aanvaard. Hoe beter je dat doet, hoe groter de impact van deze visie op het algemene begrip van ‘Kwaliteit van Bestaan’, ook al wordt die visie niet als zodanig gearticuleerd.

Hans Reinders

woensdag 25 mei 2011

Pim Blomaard over zijn onderzoek naar de zorgrelatie


‘Hoe beter je weet hoe het met jezelf gaat, hoe beter je kunt hanteren hoe het met de ander gaat’

Jan Verweij

Op 6 december verdedigde Pim Blomaard , lid van de Raad van Bestuur van de Raphaëlstichting en bestuurslid van de NVAZ, aan de Vrije Universiteit in Amsterdam zijn proefschrift over de persoonlijke relatie als kern van de begeleiding van mensen met een verstandelijke beperking. De dissertatie werd begeleid door Prof.dr. Hans Reinders, hoogleraar ethiek aan de faculteit der Godgeleerdheid en als bijzonder hoogleraar houder van de Bernard Lievegoed leerstoel.

Een gesprek over deugden, innerlijke kwaliteit en wederkerigheid in de zorgrelatie. ‘Wil je de relatie met de ander verzorgen, dan is een belangrijke voorwaarde dat je de relatie met jezelf verzorgt. Die koppeling is denk ik veel sterker dan we hem vaak zien.’


Hoe is de onderwerpkeuze tot stand gekomen?

Pim Blomaard: ‘Ik was wel benieuwd naar de antroposofische visie op de zorgrelatie. Ik wilde dat aanvankelijk uitwerken door me helemaal historisch te verdiepen in Steiner. Het heeft zich verbreed naar de zorgrelatie in het algemeen. Mijn persoonlijk motivatie is ook dat je – als je spreekt over ‘de zorg’ – in een soort basisdiscussie belandt die je overal tegenkomt. Namelijk of je iets uiterlijk of innerlijk benadert. Dat geldt ook voor kwaliteit. Je kunt kwaliteit uiterlijk benaderen door te kijken: is je zorgplan op orde, doe je wat erin staat? Maar of dat nou betekent of de persoon in kwestie geholpen is of een ontwikkeling doormaakt... dat is nog maar helemaal de vraag.

Bij innerlijke kwaliteit vraag je jezelf af: sluit je echt aan, komt de persoon echt verder in wat hij wil zijn? En dat geldt ook voor het thema relatie. Heb je ook innerlijk respect voor de persoon die je begeleidt; neem je de persoon altijd in zijn waardigheid ‘mee’? Daar moet je iets voor doen, daar heb je iets voor nodig. Filosofisch gesproken is de vraag: kun je ander mens (zoals jij hem ziet) überhaupt nabij komen? De huidige filosofie zegt: de andere mens bestaat niet; hij is alleen maar een projectie van jezelf; een geconstrueerd beeld.

In de antroposofie leeft het ideaal dat je wel degelijk dichter bij de ander kan komen. Je hebt bijvoorbeeld het ‘inlevend waarnemen’ van Albert de Vries. Wat ik beschrijf in mijn proefschrift is, dat door te oefenen aan reflectie, maar ook aan onbevangenheid en empathie, je stappen kunt zetten om die ander te naderen. Wil je dat kunnen, dan moet je heel erg veel in jezelf doen; je moet op een bepaalde manier aan jezelf werken om de ander toegankelijk te maken. Dat is eigenlijk heel vreemd. Wil je de relatie met de ander verzorgen, dan is een belangrijke voorwaarde dat je de relatie met jezelf verzorgt. Die koppeling is denk ik veel sterker dan we hem vaak zien.’

En hoe zou je dat kunnen doen?

Bijvoorbeeld door te reflecteren. Het raadsel waar je mee te maken hebt (wie is de ander? kan ik daarbij?) die spiegelt met de vraag: kan ik bij mezelf? heb ik wel een beeld van mezelf? hoe weet ik nou wie ik zelf ben? Dat begint al met de vraag: hoe kan ik überhaupt mezelf sturen? Hoe meer je weet hoe het met jezelf gaat, hoe meer je bewust kunt hanteren hoe het met de ander gaat.

In de literatuur wordt er in de laatste 20 jaar steeds meer aandacht aan besteed. Kijk bijvoorbeeld naar de begrippen zelfmanagement, geweldloze communicatie, validation, inlevend waarnemen, gentle teaching, enz. Je moet heel erg goed leren waarnemen om te voorkomen dat je steeds jezelf blijft zien. In de literatuur heet dat ‘de terreur van hetzelfde’. Je komt overal jezelf tegen. De vraag is dan: hoe leer je jezelf terug te houden?

Dat ‘zelfmanagement’ leeft nu enorm. Er zijn allerlei manieren om daarmee aan de slag te gaan. In het kader hiervan wijs ik in mijn proefschrift op een aantal deugden en vermogens: eerbied, onbevangenheid, gelijkmoedigheid en verantwoordelijkheid. Van deugden – misschien is ‘eigenschap’ of ‘houding’ een beter woord - kun je nooit genoeg hebben. Iedereen heeft ze, maar je kan ze versterken of je kan ze verzwakken. Aristoteles zei al: als je ze niet oefent, dan verzwakken ze. Als je er geen aandacht aan besteed, dan raak je ze langzamerhand kwijt.

Kun je een voorbeeld noemen?

Neem: gelijkmoedigheid. Iedereen kent het dat je door een gebeurtenis van de rel bent waardoor je enige tijd niet in staat bent om gewoon te functioneren. Stel even ... agressie: iemand is abnormaal agressief. Dat heeft enorme impact op je gevoel. De kunst is dus om het gedrag wat iemand vertoont ook nuchter te kunnen zien in wat het is. Dat betekent niet dat je die gevoelens moet wegpoetsen, maar dat je ook moet proberen te kijken in wat er zich aan je voordoet. Belangrijk is om een inspanning te doen om het ook helemaal objectief te bekijken.

Hoe doe je dat?

‘Eén van de dingen is om te reflecteren als je een aanvaring hebt gehad. En daarbij ook naar jezelf te durven kijken en je vragen te stellen als: wat gebeurde er in mij, waardoor werd ik zo boos? Wat zei iemand nou precies, waar stond diegene toen?, enz. En je vervolgens dan iets voor te nemen. Feitelijk doet iedereen dat al op zijn of haar manier. Bijvoorbeeld door het verhaal thuis te vertellen of aan collega’s of door intervisie. Maar ik zou willen oproepen om daar nog meer bij stil te staan en om die reflectie meer tot vaardigheid te maken.

Door hier aan te werken, werk je aan je persoonlijk leiderschap en ‘doe’ je aan zelfmanagement. Dit sluit ook erg aan op het meerjarenbeleidsplan waarin een oproep wordt gedaan om van de Raphaëlstichting een lerende organisatie te maken en te werken aan ‘persoonlijk leiderschap’.

Waar werd je tijdens je onderzoek enthousiast over?

De symmetrie in de relatie. Bijvoorbeeld: je wilt iemand wassen. Het doel in het aankleden is dat je iemand tot zelfsturing brengt (ik noem dat dan ‘tegenwoordigheid van geest’). Als het er alleen maar om gaat dat iemand ondersteund wordt, dan ben je met aankleden klaar. Maar op de achtergrond van de zorgverlening staat: hoe kan iemand zijn leven als individu ter hand nemen? Een heel hoog doel voor jezelf, maar zeker ook voor iemand die gehandicapt is. Toch kun je voor elke handeling die je in de zorg verricht, de vraag stellen: maak ik de ander sterk? En dat sterker maken vul ik dan in met ‘tegenwoordigheid van geest’, omdat daar het ‘ik’ een belangrijke rol speelt. Om dat te kunnen moet ik het zelf inzetten. Wat ik beoog voor de ander, beoog ik ook voor mezelf. Om de ander goed te helpen moet ik ook meer bij mezelf komen, anders ben ik alleen maar mijn gewoontes aan het volgen. De routine, de protocollen.

Dat vond ik wel een vondst: in het werk kun je die gelijkwaardigheid heel sterk maken als je dit bewust wordt. Dat wat je beoogt voor de ander is hetzelfde als wat je moet inzetten.

Wat voor reacties heb je gehad?

‘Er kwamen veel positieve reacties op het ‘lekenpraatje’ dat ik aan het begin van mijn verdediging hield. Men was enthousiast dat het onderwerp zo’n aandacht heeft gekregen. Ook in de reguliere zorg begint het idee steeds meer te leven dat men de zorg als contractuele dienstverlening vanuit professionele protocollen (de uiterlijke kwaliteit dus) te eenzijdig vindt en dat er grote behoefte bestaat ook die innerlijke kant te horen. Dat is een verheugend feit; daar sluit mijn proefschrift bij aan.’


Uit het zogeheten ‘lekenpraatje’ aan het begin van de verdediging van het proefschrift:

– de reflectie van de begeleider die zichzelf ontdekt
– de beroepshouding van eerbied, openheid, nuchterheid en verantwoordelijkheid
– de intentie bij te dragen aan de individualisering van de ander
– de zelfopvoeding door de begeleider die zijn grenzen bewaakt
– de verantwoordelijkheid voor de situatie door aan te sluiten bij de werkelijkheid van dat moment’


Bernard Lievegoed leersstoel

De Bernard Lievegoed leerstoel is in 2005 ingesteld en in 2010 verlengd door de NVAZ (Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders) om het denken over kwaliteit en professionaliteit in de zorg te bevorderen en de antroposofische visie daarop in de maatschappij een grotere rol te laten spelen. De leerstoel wordt bekleed door Prof. dr. Hans Reinders.

Het onderzoek naar kwaliteit heeft al geresulteerd in het boek ‘De Kunst van het zorgen’ (van Karen Wuertz en Hans Reinders). En ook in een onderzoek dat momenteel op Breidablick gaande is over hoe de kwaliteit op een andere manier kan worden beoordeeld, namelijk dichter op de interactie en de relatie tussen bewoner en medewerker in het dagelijkse leven.


Fotografie: Jan Verweij

Overgenomen uit Kristallijn, nieuwsblad voor medewerkers en belangstellenden van de Raphaëlstichting, nummer 13 van april 2011

Nieuwe boeken


Hans Reinders, ‘Hoera, ik ben een autist!’

Hoe kijken we naar mensen met een verstandelijke beperking en welke betekenissen worden aan hun bestaan toegekend? Dat is de vraag die de opstellen in dit boek met elkaar verbindt. De auteur neemt zijn uitgangspunt in het perspectief van Disability Studies, dat in het Nederlandse taalgebied nog vrij onbekend is. Hij zoekt hierbij bepaalde denkbeelden over 'handicap' om te kijken waarop ze berusten. De vragen die hierbij ontstaan dagen de lezer uit een stapje terug te doen en onze manieren van denken en kijken onder de loep nemen. De uitkomst blijkt telkens van groot praktisch belang te zijn. Het ethische oordeel, zo laat de auteur zien, ligt reeds besloten in de waarneming.

Hans Reinders is sinds 1995 hoogleraar ethiek aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, waar hij sinds 2005 tevens de Bernard Lievegoed leerstoel bezet.

Zie http://www.bol.com/nl/p/nederlandse-boeken/hoera-ik-ben-een-autist-druk-1/1001004011232489/index.html


Ad Dekkers, ‘Psychotherapie van de menselijke waardigheid’

Psychotherapie staat niet alleen in dienst van het reduceren van symptomen, maar vooral van het herstellen van de menselijke waardigheid. Waardigheid steunt op een rijk en gevuld innerlijk, op een breed ontwikkeld oordeelsvermogen, op een uitgewogen daadkracht en ten slotte op een zorgvuldige bezinning op de eigen bestemming. Ad Dekkers onderzoekt in dit boek in systematisch opgebouwde oefeningen de bouwstenen voor een psychotherapie van de menselijke waardigheid. Welke interventies zijn werkzaam en waarom? En leiden zij naar het gewenste doel? De oefeningen, die ontworpen zijn voor groepsverband, leveren de bodem voor een eigen oordeelsvorming en positiebepaling in de psychotherapie. Het groepsproces wordt gebruikt om het ‘(al te) individuele’ op te tillen naar het ‘algemeen geldige’. Het boek is bestemd voor opleidingsgroepen van psychotherapeuten en verder voor alle andere opleidingsgroepen die er profijt van kunnen hebben.

Actieprijs t/m 25 juni 2011: € 38,50. Gebonden, 360 blz., € 45,50 ISBN: 9789060386576.

Zie http://tinyurl.com/6jzjdah


Adriaan Bekman, ‘Taal van de ziel. Een sociale scholingsweg voor de innerlijke wereld’

In dit boek beschrijft Adriaan Bekman een sociale scholingsweg voor de innerlijke wereld die ieder van enig goede wil kan gaan. Hij zoekt en gebruikt daarvoor een taal van de ziel die wij met elkaar kunnen delen in de organisaties waarin wij verkeren. Deze scholingsweg onderscheidt zich van andere scholingswegen omdat zij niet primair aangrijpt bij een persoonlijke meditatieve activiteit die gericht is op ‘mijzelf’, maar omdat zij aangrijpt bij het dialogische proces dat het individuele ik met anderen biografisch doormaakt. Dit proces vindt niet alleen plaats in de natuurlijke gemeenschap die ieder door geboorte cadeau krijgt, maar vooral in de georganiseerde gemeenschap waar men zelf toe besluit deel van uit te willen maken. Het gaan van deze scholingsweg heeft betekenis voor ons eigen bestaan, maar vooral voor het morele samenzijn met onze medemens.

1e druk, paperback, 192 blz. € 22,50 ISBN: 9789060386590

Zie http://www.denieuweboekerij.nl/de-taal-van-de-ziel-cd


Martin Niemeijer, Michel Gastkemper, Frans Kamps, ‘Entwicklungsstörungen bei Kindern und Jugendlichen. Medizinisch-pädagogische Begleitung und Behandlung’

Duitse vertaling van ‘Ontwikkelingsstoornissen bij kinderen. Medisch-pedagogische begeleiding en behandeling’ (zie http://www.vangorcum.nl/NL_toonBoek.asp?PublID=4033)

Kinder mit Entwicklungsproblemen und -störungen bedürfen einer Unterstützung, die eine Brücke zwischen Förderung und Therapie schlägt. Genau diesen Ansatz verfolgt das vorliegende Buch. Im ersten Teil werden die drei Sieben-Jahres-Phasen der Entwicklung des Kindes mit ihren jeweiligen Widerständen und Schwellen, die jedes Kind zu überwinden hat, dargestellt. – Methodische Aspekte der Diagnostik von Entwicklungsproblemen, ihre Beratung und Behandlung sowie ein Instrument zur Beurteilung der kindlichen Konstitution mit Therapievorschlägen machen den zweiten Teil des Buches aus. Neun Kapitel über spezifische Entwicklungsstörungen, u. a. Autismus, ADS, Bindungsstörungen, Traumatisierungen, mehrfache Entwicklungsstörungen und Epilepsie schließen das Buch ab.

Preis 26,00 €, Seiten 336, ISBN 978-3-7235-1413-9

Zie: http://vamg.ch/shop/index.php/grundelemente-der-heil-eurythmie-1.html


Michaela Glöckler en Rolf Heine, ‘The anthroposophic medical movement. Responsibility structures and modes of work’

Anthroposophic institutions are among those grappling with the special challenge of how to develop viable forms of leadership and management. The social ideal developed by Rudolf Steiner in 1923/1924 can serve as an inexhaustible source of inspiration for anyone who wants to unite the principles of spiritual guidance and leadership with those of professional responsibilities and the necessities of the workplace.

The leadership of the School of Spiritual Science is an example of a style with a heart, in which principles of individual responsibility, collegial leadership and democratic participation are combined. The authors of this book show how this Trinitarian social structure has proved its value and has developed in the anthroposophic medical movement since 1988. The latter movement has been working to develop a concept of leadership that enables ‘the peaceendowing principles of spiritual guidance and leadership to constructively complement of necessities of today’s working environment’.

Preis 10,00 €, Seiten 142, ISBN 978-3-7235-1410-8.

Zie http://vamg.ch/shop/index.php/innere-ruhe-5.html


Peter Heusser, ‘Anthroposophische Medizin und Wissenschaft. Beiträge zu einer integrativen medizinischen Anthropologie’

Peter Heusser zeigt am Beispiel der anthroposophischen Medizin, dass eine zeitgemäße, wissenschaftlich belegbare Gesamtsicht des Menschen möglich ist, die materielle und immaterielle Faktoren gleichermaßen anerkennt. Anhand von Rudolf Steiners erkenntniswissenschaftlichen Schriften und Goethes naturwissenschaftlicher Erkenntnismethode beleuchtet er Grundkonzepte der modernen Medizin und weist auf: Eine geisteswissenschaftliche Erweiterung der Naturwissenschaft ist unumgänglich. Seit Jahren mit großem Einsatz in der anthroposophischen Medizin und universitären Lehre und Forschung tätig, zeigt der Autor, wie eine in sich differenzierte, aber einheitliche medizinische Anthropologie und eine integrativmedizinische Therapieforschung im Sinne einer evidenzbasierten Medizin ausgebaut werden können, um dem berechtigten Bedürfnis der Patienten nach umfassender Betreuung gerecht zu werden. Das Buch richtet sich an alle Ärzte und Wissenschaftler, insbesondere mit Schwerpunkt Anthroposophische Medizin, Komplementärmedizin und Integrative Medizin sowie Wissenschaftstheorie und Medizingeschichte.’

Zie http://www.schattauer.de/shop/product_info.php/info/p593_Anthroposophische-Medizin-und-Wissenschaft.html


Friedwart Husemann, ‘Anthroposophische Medizin. Ein Weg zu den heilenden Kräften’

Mit diesem nun um drei Kapitel erweiterten Grundlagenwerk zur anthroposophischen Medizin legt Friedwart Husemann nach 40 Jahren ärztlicher Tätigkeit legt sein Lebenswerk vor. Anhand von Krankengeschichten werden allgemeine Erkenntnisprinzipien der anthroposophischen Medizin entwickelt und geprüft. Damit praktiziert der Autor nicht nur eine erweiterte Menschenkunde, sondern zeigt auf den unterschiedlichsten Gebieten den Weg zu einer rationellen Therapiefindung auf. Der weite Bogen der Darstellung reicht von Krankengeschichten und Arzneimittelbildern über Lebensberatung in der Hausarztpraxis, Heileurythmie, Seelischen Übungen zur Gesundheitsstärkung über methodische Leitlinien der Goetheanistischen Forschung bis zum Heilungsimpuls des Lukasevangeliums und einer Reform des Medizinstudiums heute. Eine Bereicherung für jeden Fachkollegen und eine Lesefreude für alle, denen eine anthroposophisch erweiterte Medizin am Herzen liegt. Zur Erklärung der Fachausdrücke ist ein Glossar beigefügt.

Preis 38,00 €, Seiten 392, 2., stark erweiterte Auflage, ISBN 978-3-7235-1418-4

Zie http://vamg.ch/shop/index.php/anthroposophische-medizin-2.html

vrijdag 11 februari 2011

De wandeling van Erik Baars en Hans Reinders


Linda te Wierike (projectmedewerker NVAZ)

Het artikel in de vorige Digitale Verbreding over Hans Reinders (hoogleraar ethiek en tevens bijzonder hoogleraar van de Vrije Universiteit Amsterdam) en Erik Baars (arts-epidemioloog en lector antroposofische gezondheidszorg aan de Hogeschool Leiden) eindigde met de opmerking dat wederzijdse ontmoeting en samenwerking zijn vruchten zal afwerpen voor de zichtbaarheid en ontwikkeling van de antroposofische gezondheidszorg. Dit gezamenlijke interview over hun nieuwe onderzoeksperiode is het vervolg hierop.

Op de 13e verdieping van de Vrije Universiteit Amsterdam bevindt zich de kamer van Hans Reinders, een ruimte waarin één van de lange wanden totaal bedekt is met boeken. Dit is te verwachten bij een lettervreter, zoals hij zichzelf later noemt. Het wachten is nog even op Erik Baars, maar die komt al gauw enthousiast binnen en neemt plaats met in zijn hand de lijst met interviewvragen. Een van de onderwerpen is wat er de komende jaren op de onderzoeksagenda staat. Toch is het aardig om bij het begin te beginnen en eens te vragen naar het moment waarop onderzoek een rol ging spelen in hun leven.

Hans Reinders: ‘De eerste keer dat ik het gevoel had daar mee bezig te zijn, was toen ik de scriptie voor het vak Oude Testament maakte. Hier stuitte ik op een merkwaardig woordgebruik en ben dat toen grondig gaan uitzoeken. Lettervreter als ik ben, heb ik tijdens mijn studie theologie ook nog twee jaar Semitische talen gestudeerd, Jiddisch, Talmoed, Hebreeuws, allemaal talen die je nodig hebt om in relatie tot het Oude Testament en de joodse traditie te kunnen onderzoeken. Maar uiteindelijk werd het toch een ander vak in de theologie. Bij systematische theologie werd ik student-assistent en daar heb ik het onderzoeken geleerd door in de keuken te kijken. Dit was tevens de entree op mijn wetenschappelijke loopbaan.’

Erik Baars: ‘Rond mijn negende wist al dat ik dokter wilde worden. In de puberteit was ik altijd al bezig met hoe de wereld en de dingen in elkaar zitten. Rond m’n 25e ging ik een reis maken en met een aantal antroposofische boeken in mijn koffer bedacht ik mij dat ik iets met antroposofie en antroposofische geneeskunde wilde doen als ik terug was. Ik werd toen door mijn broer gevraagd om stage te komen lopen bij het Louis Bolk Instituut. Daar ben ik anderhalf jaar geweest en kwam daar in aanraking met onderzoek. Het mooie aan onderzoek is dat je iets kunt communiceren en kwaliteitverbetering teweeg kunt brengen. Je laat mensen uitwisselen over hun ervaringen, bundelt deze en systematiseert. Daarmee kun je iets goeds voor de antroposofische gezondheidszorg doen, waardoor het bijvoorbeeld geaccepteerd wordt. Dat komt uiteindelijk de patiënt weer ten goede en daar doen we het voor. Binnen al deze werkzaamheden is de antroposofie voor mij de grootste inspiratiebron. Ik denk dat wij een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de gezondheidszorg, maar het realiseren hiervan staat allemaal nog enorm in de kinderschoenen. In deze tijd help ik graag om dat verantwoord voor elkaar te krijgen.’

Hans Reinders legt het mooie van onderzoek als volgt uit.

‘Een heldere onderscheiding, dus: wat hoort bij wat? Ik wil weten wat mensen bedoelen; wat ze in hun hoofd hebben als ze welke taal gebruiken. Goed onderzoek doen betekent je begrippen goed op scherp zetten. Het is in feite weinig anders dan de indrukken die je hebt van de wereld te helpen ordenen. En als je heldere beschrijvingen maakt en vragen stelt die kloppen, dan heb je geen ingewikkelde zinnen nodig – daar houd ik van. Wat mij hierbij inspireert is niet zozeer iets of iemand. Maar waardoor ik telkens weer zin heb om een volgende stap te zetten, is dat ik merk dat wat ik zeg de mensen helpt om na te denken. Ze zeggen altijd dat ik ze weer erg aan het denken heb gezet. Dat komt denk ik voor een deel door dat ordenen.’

Erik Baars: ‘Deze manier van naar onderzoek kijken herken ik wel. Ik ga uit van de driehoek wetenschap, theorievorming en methodologie. Dit heeft een conceptuele kant en ik redeneer graag. Bijvoorbeeld over vragen als: wat is holisme en wat is reductionisme? Wat is gezondheid en hoe bevorder je die? Daar horen argumenten bij en ook een heel empirische kant, het toetsen van hypothesen. Het gaat erom een goed concept te ontwikkelen dat innerlijk consistent is, dat aansluit bij andere theorieën en dat in overeenstemming is met de empirische feiten. Dat is wat Hans ontzettend goed beschrijft.’

Hans Reinders: ‘Ik wil daar graag aan toevoegen dat ik soms antroposofen hoor praten die ik totaal niet begrijp. Dat heb ik bij Erik totaal niet, want hij redeneert altijd. Voor iemand als ik is dat prettig. Ik ben nooit zo bezig met theorievorming en het valideren daarvan. In de geesteswetenschappen vind ik het begrip theorie niet erg functioneel. Het suggereert een stand van wetenschap waarin we sommige vragen niet meer stellen, want die zijn opgelost. Als dat een adequaat beeld zou zijn, zouden we in de theologie en de filosofie veel verder moeten zijn dan een paar honderd jaar geleden. Dat zie ik niet zo. Het gaat nog altijd om dezelfde vragen. We stellen ze alleen in een andere context.’

Erik Baars: ‘Daar ligt ook het punt waarop wij elkaar kunnen vinden of aanvullen. Als er zoiets bestaat als het etherische of het astrale, dan moet je daar een concept van kunnen maken en dit kunnen beredeneren. Het komt aan op de nauwkeurigheid van de conceptontwikkeling en de wetenschappelijke benadering. Dit betreft bijvoorbeeld ook de betekenis van kwaliteit als we kijken naar een individu in relatie tot de zorgprofessional. In het lectoraat willen we op professionele wijze zichtbaar maken hoe in de antroposofische gezondheidszorg gewerkt wordt en dit zoveel mogelijk intact laten. Die richting zie ik bij Hans ook, alleen gaat hij daar nog verder in en is hij nog specifieker georiënteerd op dit onderdeel van de kwaliteit van de cliënt-zorgprofessional interactie. Op dit vlak doen we verschillende dingen, maar onder de grote noemer hebben we elkaar wat te bieden.’

Hans Reinders: ‘Dat klopt. Wat wij nu met de Lievegoed leerstoel aan het doen zijn met het onderzoek “beelden van kwaliteit”, is de aandacht richten op de wederkerige verbinding. Dus de persoon met een beperking en zijn begeleider. Als je daar naar kijkt zie je heel concrete aspecten van kwaliteit in de ervaringen van de mensen om wie het gaat. Er zit een focus in, die kijkt naar kwaliteit van bestaan als iets van een individu, niet van een groep of een cohort. Dat gaat in de richting van individualisering, maar dan meer als een prisma. Daardoor krijgen we veel concretere informatie over kwaliteit dan wordt verkregen door de nu gehanteerde meetinstrumenten. Kwantificering is altijd abstractie van de concrete betekenis van ervaring.’

Hier ontvouwt zich een onderscheidende manier van werken en daarmee ontstaat de vraag of het verschil te vangen is in de begrippen kwalitatief en kwantitatief onderzoek. Dit blijkt echter wat genuanceerder te liggen.

Hans Reinders: ‘Voor zover ik zie is Erik geïnteresseerd in de werkzaamheid van dingen. Dat is niet mijn eerste punt van evaluatie. Ik kijk naar wat mensen met elkaar doen. Als je de bijdrage van de antroposofische zorg laat lopen via de vraag “Wat is de opbrengst wanneer je deze therapie toepast of die?”, dan wil je iets anders weten dan waar wij mee bezig zijn. Het gaat mij om proces, niet om uitkomst. Er is wel een relatie tussen die twee, maar ik zoek niet naar een manier om die relatie te kunnen vastleggen.’

Erik Baars: ‘Voor de relatieve buitenstaander is kwantitatief en kwalitatief een mooi onderscheid. Maar naarmate je meer begrijpt, dan zie je dat het kwalitatieve onderzoek gaat over: wat is er eigenlijk allemaal? Daarop kun je aansluiten met kwantitatief onderzoek. Zo kun je in kaart brengen in welke mate een organisatie individugeoriënteerd werkt en de mate waarin kun je proberen getalsmatig uit te drukken in een getal tussen 1 (helemaal niet) en 10 (optimaal). Dat is een meting die heel wat anders laat zien dan het meten van de bloeddruk of het aantal rode bloedcellen. Hier zie je dat je het kwantitatieve kunt aansluiten bij het kwalitatieve. Dus als Hans het heeft over een goede, optimale relatie tussen cliënt en zijn zorgverlener, dan kun je ook spreken over een heel slechte. Je kunt hier gaan kwantificeren en kijken of je daar met mensen consensus over kunt krijgen. Het is niet in eerste instantie waar Hans naar toewerkt, maar wat wel degelijk zou kunnen.’

Hans Reinders: ‘Als het gaat om de wederkerigheid van een zorgrelatie, dan moet je eigenlijk niet willen meten, maar ik val Erik bij: het kan in principe wel. Dus is voor mij als iemand van de heldere onderscheiding de vraag: waar zit dan het verschil? Het zit hem in het stellen van de betekenisvraag. Je kunt namelijk niet zien aan de meetresultaten wat die relatie nu precies voor de betrokkenen betekent. In het hele kwaliteitsverhaal is dat een aangelegen kwestie. Met het op tafel leggen van cijfers, die informatie geven over frequentie en distributie, schakel je de vraag uit naar de betekenis van wat mensen drijft en wat ze motiveert. En om als externe instantie de mensen te stimuleren dingen anders te gaan doen, heb je die drijfveer en die motivatie nodig. Wat ik nu probeer te doen is een manier te ontwikkelen van over kwaliteit denken inclusief het verantwoorden daarvan, waardoor de toezichthouders zichzelf niet als een externe instantie zien, maar als deel van het proces en daarmee óók geïnteresseerd zijn in wat mensen drijft. Zo wordt het een samenwerkingverband, veel meer dan een manier van examineren om te kijken of je kandidaten slagen, al dan niet aan de eisen voldoen. Dat is waarom ik denk dat je dit met kwantitatief onderzoek niet goed te pakken krijgt.’

Erik Baars: ‘Hans geeft hier aan: wij exploreren iets en daarin speelt betekenisgeving een belangrijke rol. Als je dat logisch en transparant wilt doen, dan kun je niet alleen met een kwaliteitssysteem werken. Als je het als organisatie van belang vindt om met informatie te werken waarop je kunt sturen, dan zul je de betekenisvraag daarin een plek moeten geven op een manier die verenigbaar is met het kwaliteitssysteem. Kun je aantonen dat dit belangrijk is voor zowel individu als organisatie, dan wordt het veel gemakkelijker om aan de andere kant dingen te doen. Zelf ken ik de betekenisgeving aan de andere kant van het gezondheidsonderzoek. In het hele vraagstuk van salutogenese is meaningfulness een van de belangrijke pilaren. Wat blijkt? Mensen die een hoge “sense of coherence” hebben als individu, hebben zowel een betere psychosociale als fysieke gezondheid. Ook functioneert deze categorie mensen beter in hun arbeidsomstandigheden. Dit is empirisch aangetoond en daarmee is het om allerlei redenen relevant voor de volksgezondheid, en dus voor organisaties die dit willen implementeren. We zitten duidelijk in een soort overgangsfase waarbij druk gezocht wordt naar nieuwe manieren om hierin te handelen zonder de controle los te laten. Ik denk dat Hans heel erg bijdraagt aan het hele denken en de theorievorming daarover, wij doen het vanuit de andere kant en dat heeft ook zijn invloed.’

Dan geeft Hans Reinders een indruk van het onderzoek wat antropologen voor de Bernard Lievegoed leerstoel doen, waarvan ‘De kunst van het zorgen’ dat hij samen met Karen Wuertz schreef een eerste resultaat was. In alle onderzoeksverhalen worden heel concrete ervaringen niet alleen zichtbaat maar ook voelbaar. Behoorlijk schokkende ervaringen, maar ook prachtige dingen en knappe vondsten. Kleine scènes en mooie beelden die laten zien wat bijvoorbeeld mensen met ernstige meervoudige beperkingen en hun begeleiders meemaken. De grootste uitdaging voor dit soort onderzoek – als het gaat om de betekenisgeving – ligt in het vlak van de methodologie, namelijk hoe te verantwoorden dat observeren en “meekijken” betrouwbare informatie oplevert.

Hier haakt Erik Baars op in en noemt ook een voorbeeld van praktijkmethodologie. Het lectoraat heeft onderzoek gedaan bij het Kindertherapeuticum in Zeist waarbij gekeken is naar het methodisch aspect van het tot stand komen van oordeelsvorming. Het is gebleken dat dit daar heel anders plaats vindt dan in een regulier proces, waarbij in de meeste gevallen zeer vroeg in het zorgproces een diagnose wordt gesteld. Bij de antroposofische werkwijze in het Kindertherapeuticum vindt dit moment veel later in het proces plaats. Diverse indrukken spelen een rol, er zijn veel disciplines bij betrokken, om zo uiteindelijk tot een consensus te komen over het zogenaamde beeld van de patiënt. Hieraan wordt ook een andere betekenisgeving verleend, waarmee het therapeutisch traject ook anders wordt. De overeenkomst tussen de twee onderzoekspraktijken is dat in beide situaties verschillende lagen bekeken worden. Wel is het zo dat Erik Baars het antroposofisch inhoudelijke deel hier veel meer in meeneemt.

Hans Reinders bevestigt dit verschil, maar is evengoed geïnteresseerd in wat voor mensen de antroposofie bijzonder maakt. Hij kan globaal twee groepen mensen onderscheiden. De ene groep vindt het eigene van de antroposofie heel belangrijk, de andere groep vindt dat een volstrekt onbelangrijke kwestie, maar is evenzeer een antroposofische overtuiging toegedaan. Of iets antroposofisch is of niet, is volgens sommigen de laatste vraag waar Steiner in geïnteresseerd zou zijn. Praktisch is uiteindelijk van belang hoe dingen in het brede veld hun weg vinden. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de verbindingsfilosofie duidelijk overeenkomt met de wederkerige groei. Reinders ziet veel parallellen tussen reguliere en antroposofische zorg, maar heeft in de reguliere zorg nog nooit ervaren dat het zorgproces gaat over wederkerige ontwikkeling. Daar wordt de ontwikkeling van de begeleider deskundigheidsbevordering genoemd, maar dat is iets anders dan de persoonlijke groei waarover het in de wederkerige ontwikkeling gaat. Hij benadrukt dat de inbreng van dergelijke inzichten heel goed mogelijk is zonder het gebruiken van antroposofische termen, ook voor niet-antroposofen.

Baars antwoordt hierop met een voorbeeld over euritmietherapie, ingezet bij een zorgprogramma hooikoorts, waarbij je lijf leert bepaalde in zich gestructureerde (bewegings)patronen over te nemen die blijkbaar een herstellende, gezondheidbevorderende werking hebben. Dat heeft wederom met ontwikkeling te maken en ook hier is in principe geen antroposofische taal nodig. Wat wel noodzakelijk is, is deze zaken op het spoor te komen en helder te maken dat het begrip wederkerigheid een rol speelt. Het lectoraat zoekt naar manieren om dit ontwikkelingsdenken uit te rollen en te verbreden. Dit doen ze door vier samengestelde zorgprogramma’s te optimaliseren en stapje voor stapje te verantwoorden. Mensen met hooikoorts komen er dan achter dat er andere werkende middelen zijn, waardoor je op een gegeven moment van je geijkte geneesmiddel afkomt. Dit als voorbeeld van maatschappelijke zichtbaarheid, exemplarisch voor de antroposofische gezondheidszorg. En zo blijken er zowel verschillen als overeenkomsten in hun benadering en visie te bestaan.

Tijd om een ander balletje op te gooien. Stel, beide onderzoekers zouden een geheel verzorgd weekend met elkaar gaan wandelen. Wat zou dit opleveren en waar worden de werkzaamheden wellicht binnen een gezamenlijk project ingevuld?

Erik Baars: ‘Mijn missie is de antroposofische zorg verder te helpen ontwikkelen en geaccepteerd te krijgen. We hebben in Nederland en in Europa overall weinig middelen om dat doel na te streven. Het is dan ook alleszins waard om alle onhebbelijkheden en dingen waar we elkaar niet in kunnen vinden even aan de kant te zetten en te kijken waar meerwaarde gecreëerd kan worden. Als we misschien één dingetje extra doen, dan hebben we daar allebei profijt van en levert het meer op voor het geheel. Als ik ons gesprek een beetje aftast, dan hebben wij op deze wandeling nog genoeg te bespreken om tot eind 2014 te doen wat we kunnen om elkaar te versterken. Niet omdat het allemaal moet, maar om dingen te doen die ons allebei en de missie iets opleveren.’

Hans Reinders: ‘Ja, ik ga graag met Erik op stap. Ik zou van de gelegenheid gebruik maken om weer wat verder komen in mijn begrip van de antroposofie en waar dat betekenis geeft. Ik kijk daar naar als een relatieve buitenstaander, maar om dat goed te snappen vind ik op zichzelf een mooi doel. Zo vind ik Steiner een overduidelijke representant van zijn tijd en als ik hem op die manier bekijk dan begrijp ik een heleboel. Toch is het goed om na te gaan wat ik er nu wel en niet van snap. Dan heb ik aan deze wandeling met Erik voorlopig wel weer even genoeg om over na te denken. Ook zal ik hem uitleggen hoe de plannen voor de leerstoel eruit zien. We gaan namelijk in een afgeslankte vorm verder. De beschikbare formatie is enkel die van mij en daarom lijkt het mij goed om het bij één project te houden en dit de komende vijf jaar verder uit te werken. Ik wil inhaken op onder andere het begrip “quality of life” en hiervoor dynamische methodieken ontwikkelen. Daarom houd ik het graag smal, hoewel er genoeg artikelen over te schrijven zijn...’

Erik Baars: ‘Voor mij gaat het om goede kwalitatieve kennis maken. Ik doe dit het liefst in de vorm van proefschriften, omdat je daarmee een garantie hebt op goede kennis en er komen artikelen, discussies, mensen met een PhD en een netwerk van (antroposofische) onderzoekers uit voort. Een ander thema is enkele voorbeelden van “best practices” eruit te lichten en deze te monitoren, bijvoorbeeld veilige geneesmiddelen die effect hebben. Als je dit niet kunt aantonen, dan houdt het op. Daar heeft Hans veel minder last van in zijn onderzoek, maar bij ons is het een must om op genoeg plekken te laten zien dat er meer is dan een placebo-effect. Anders ben je binnen tien jaar aan de kant geschoven.’

Hans Reinders: ‘Inderdaad, dit is een heel belangrijk gegeven. Dit verschil snappen zorgt ervoor dat je ziet waar de overlap ligt. Wat ik probeer is om de mensen die aan de touwtjes trekken af te helpen van het idee “one size fits all”. Alle parameters die in de geneeskunde gebruikt worden, worden via evidence based retoriek op alle sectoren uitgestort, ongeacht de vraag of dat wat er gemonitored moet worden zich daar voor leent. Het is mijn streven ze weg te krijgen van het idee dat je op exact dezelfde manier de kwaliteit van het werken in een papierwerkplaats kunt verantwoorden als dat je via de geneeskunde kunt verantwoorden of je tabletjes werken.’

Nu het beeld geschetst is van de komende jaren, wordt ook even stil gestaan bij de NVAZ-leden. Zij kunnen, behalve dat hun financiële bijdrage het onderzoek mogelijk maakt, wellicht ook nog een andere participerende rol vervullen.

Erik Baars: ‘Zonder de leden kan ik bijna niets doen, omdat de kennis in de handen en voeten zit van hen die zorg verlenen en omdat we de zorgpraktijk willen helpen optimaliseren. Wij hopen dus heel erg dat de NVAZ-leden bereid zijn om in die projecten mee te draaien, zodat wij iets kunnen doen voor het grotere geheel. Daarnaast is er de beleidsadviesgroep die wij deze periode nog breder hebben ingericht. Wij vragen deze mensen om met ons mee te denken in de beleidsvorming en te helpen strategisch richting te geven aan het lectoraat. Voor deze twee dingen zet ik de communicatie optimaal in, zodat het veld ziet dat we dingen doen die echt aan de orde zijn. Zo hebben we recent een RAAK-subsidie gekregen voor een project dat echt samen met het veld samen ontwikkeld gaat worden. Een prachtig vertrekpunt om plannen te kunnen realiseren!’

Hans Reinders: ‘De ontwikkeling van ons project zit in de gehandicaptenzorg, zonder principiële reden. Wat wij doen zou ook in een therapeuticum of in de psychiatrie kunnen. Gezien de algemene schreeuw om iets anders dan die becijfering en externe controle, ben ik er zeker voorstander van dit ook naar de andere sectoren uit te zetten, maar de praktijk moet dit nog aantonen. Ik hoop dat de NVAZ-leden zien wat de betekenis is. Ik zie dat de ontstane versmalling wellicht vragen oproept en dat ik soms te ver op afstand ben. Maar ik hoop antwoorden te kunnen geven die nieuwe mogelijkheden schetsen.’

Erik Baars: ‘Zowel de leerstoel als het lectoraat zijn gevraagd om te rapporteren aan de NVAZ-leden. Zo horen zij wat we aan het doen zijn en plaats je kennis en ervaring zodanig in een context dat het voor alle leden boeiend wordt. Dan is er nog het PAG (Platform Antroposofische Gezondheidszorg). Daar zou jij ook aan kunnen deelnemen. Dan ben je niet Hans Reinders op afstand, maar iemand die iets kan bieden voor de hele NVAZ.’

Hans Reinders: ‘Daar heb je een goed punt!’

Zo komen verschillende routes aan bod om onderzoek levendig te maken voor de leden. Door de wisselwerking tussen de onderzoekspraktijk en de vragen die terugkomen uit het veld, wordt zichtbaar dat er inderdaad een andere manier van kijken nodig is en dat deze in ontwikkeling is.

Hans Reinders: ‘Binnen ons project heeft een lidinstelling van de NVAZ hoog ingezet op dit type onderzoek om een gedegen discussie met hun zorgkantoor te kunnen voeren over kwaliteit van zorg en ondersteuning en over de vraag hoe je die zichtbaar maakt. Wat zij daarmee aan de kaak hopen te stellen is de manier om naar output van de antroposofische zorg te kijken. Hun weg daarin zou voor meer zorgaanbieders kunnen gelden en is zelfs een voorbeeld van innovatief handelen. In zoverre dat ze de zorgverzekeraar de vraag hebben gesteld: bedoelen jullie nu echt dat als kwaliteit meetbaar is, alles wat niet meetbaar is dan ook geen kwaliteit kan hebben? Nou, daar was door het zorgkantoor nog nooit op die manier over nagedacht; een nieuwe stap is gezet.’

Erik Baars: ‘Ik hoop dat in de afgelopen jaren ook bij besturen duidelijk is geworden dat we een soort bedreigde diersoort aan het worden zijn. Er zullen inderdaad stappen gezet moeten worden in het expliciet maken en verantwoording afleggen. Als we dat niet doen, ben ik bang dat we niet overleven. Ik denk dat die boodschap inmiddels aankomt. Ik heb zestien jaar midden in de praktijk gezeten en weet hoe ongelooflijk mooi de antroposofische gezondheidszorg bijdraagt. Maar ik weet ook welke beperkingen er zijn en wat er nog ontwikkeld moet worden. In die zin ben ik echt een bouwer. Ik probeer netwerken en onderzoekslijnen uit te zetten, zodat we die weg beter kunnen afleggen. Als ik mensen in dit proces mee neem en ze op weg help, zijn ze vaak heel dankbaar. De inzet en wens om het allemaal samen te doen – ieder vanuit zijn eigen kwaliteiten – is heel sterk.’

Laatste ronde, laatste boodschap...

Hans Reinders: ‘Ik vind het jammer dat de NVAZ zijn werkgroep onderzoek kwijt is. Dat was voor mij een belangrijke plek om feeling te hebben met verschillende aspecten van antroposofische zorg. Ik krijg nu minder zaken op mijn netvlies. Er zit structureel een groot verschil in hoe een lectoraat is opgebouwd en hoe een leerstoel functioneert. Leerstoelen zijn altijd nog koninkrijken. Lectoraten zijn bijvoorbeeld met een kenniskring opgetuigd; daar worden zaken in verband gebracht met elkaar. Als houder van een bijzondere leerstoel heb je bijvoorbeeld geen toegang tot het curriculum. Ik kan studenten via een briefje op het prikbord uitnodigen dat ze voor vrije punten bij mij college kunnen volgen. Erik zit op een heel andere manier in zijn veld verankerd. Vandaar dat ik die werkgroep een belangrijke bron van informatie vond.’

Erik Baars: ‘Overzicht – ik vind het belangrijk voor het veld dat er een totaalbeeld is van wat er allemaal gebeurt. Wij zijn momenteel wat rijker dan de NVAZ en willen graag een overzicht van onderzoeksprojecten maken en dit up to date te houden. Zo wordt het allemaal wat zichtbaarder. Hans zou hier bijvoorbeeld ook over zijn activiteiten kunnen vertellen. Het tweede is dat we een internationale nieuwsbrief willen maken om ook in Europa meer samenhang en consistentie te creëren. Bij de medische sectie is helemaal geen geld om zoiets te doen. Als we dit een paar keer per jaar doen, kan dat enorm veel helpen. Dit bieden wij het veld graag aan.’

Aan het einde van het gesprek lijkt het erop dat Erik Baars en Hans Reinders al aan hun wandeling begonnen zijn. In de antwoorden klinkt door dat er nog veel boeiende stappen gaan volgen en dat zij elkaar inderdaad goed aanvullen. De passie voor onderzoek is door beiden op zeer persoonlijke wijze vormgegeven. Bij de een zijn taal en tekst leidend in het grondig zoeken naar antwoorden en oplossingen. In dit proces is het begrip betekenisgeving zeer belangrijk, omdat cijfers en meetinstrumenten nooit een compleet verhaal vertellen. De bedoeling is wellicht om mensen kritisch te laten nadenken over wat ze eigenlijk aan het doen zijn en of middel en doel wel samen gaan. De ander is, vanuit een ongekende nieuwsgierigheid naar hoe de wereld in elkaar zit, bezig om aantoonbaar en inzichtelijk te maken dat de antroposofische gezondheidszorg veel moois te bieden heeft. Dit gaat gepaard met een ondernemerschap dat – door te bouwen aan netwerken en door met de beschikbare middelen samenwerking en innovatie te creëren – een optimaal resultaat beoogt dat iedereen ten goede komt. Deze ontmoeting en hun gezamenlijke zichtbaarheid zullen er aan bijdragen dat de begrippen kwaliteit en wederkerigheid de komende jaren nog vaak de revue zullen passeren binnen het brede onderzoeksveld... Een avontuurlijke route gewenst!

Promotie Pim Blomaard


Op 6 december 2010 verdedigde Pim Blomaard, lid van de Raad van Bestuur van de Raphaëlstichting, aan de Vrije Universiteit in Amsterdam zijn proefschrift ‘Beziehungsgestaltung in der Behindertenhilfe’ met als ondertitel: ‘Zur Berufsethik der Betreuung’.

Het proefschrift gaat over de persoonlijke relatie als kern van de begeleiding van mensen met een verstandelijke beperking. De dissertatie werd begeleid door Prof.dr. Hans Reinders, hoogleraar ethiek aan de faculteit der Godgeleerdheid en als bijzonder hoogleraar houder van de Bernard Lievegoed Leerstoel, ingesteld door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders. klik hier voor de Nederlandse samenvatting.

De Nederlandse titel luidt: ‘De relatie in de zorg aan mensen met een verstandelijke beperking. Over de beroepsethiek van de begeleiding’.

Pim Blomaard schrijft:

‘De zorgverlening aan mensen met een verstandelijke beperking is een beroepspraktijk die niet alleen door externe doelen, zoals maatschappelijke normen, wettelijke vereisten en wetenschappelijke richtlijnen, maar ook door persoonlijke motieven en persoonlijke kwaliteiten van begeleiders wordt bepaald. Op de vraag welke doelen deze beroepspraktijk wil realiseren kunnen externe antwoorden, zoals integratie en inclusie, maar ook persoonlijke antwoorden, zoals zingeving en betekenis, worden gegeven. In deze dissertatie wordt op basis van literatuurstudie onderzocht, welke voorwaarden moeten worden vervuld om de relatie tussen begeleider en cliënt zowel een professionele als een persoonlijke relatie te laten zijn. Deze beschouwing heeft als uitgangspunt de professioneel opgeleide begeleider die zich actief voor een goede relatie met zijn cliënt inzet.

De vraagstelling is de volgende: welke morele competenties heeft de professionele begeleider nodig om de relatie met verstandelijk beperkte mensen op een symmetrische wijze vorm te geven. Deze vraagstelling richt zich op de beroepsmoraal van de begeleider en de beantwoording geschiedt in het kader van de beroepsethiek. Deze beantwoording vindt plaats in de successievelijke hoofdstukken die elk een afzonderlijk aspect bespreken.’

Bron: website Raphaëlstichting.

dinsdag 2 november 2010

Vervolg onderzoeksactiviteiten van Leerstoel en Lectoraat

.
Afgelopen zomer heeft de NVAZ de werving en coördinatie verzorgd aangaande de voortzetting van zowel de Bernard Lievegoed Leerstoel (Vrije Universiteit Amsterdam) als het Lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg (Hogeschool Leiden). De leden en enkele fondsen zijn benaderd (mede met dank aan Merlijn Trouw) en de uitkomst is dat beide onderzoeksprogramma’s een vervolg krijgen. Dit getuigt van een stevig, gezamenlijk draagvlak om onderzoek in het werkveld Antroposofische Gezondheidszorg te bevorderen en ontwikkelen. De activiteiten in de komende jaren zijn nog niet bekend, aangezien de vaststelling van de nieuwe onderzoeksprogramma’s nog niet definitief is. Daarom volgt nu een globale toelichting op de werkzaamheden van Hans Reinders (hoogleraar VU) en Erik Baars (lector HL).

Allereerst een korte reactie op deze continuering. Het lectoraat is zeer verheugd dat Hogeschool Leiden, het beroepsveld van de antroposofische gezondheidszorg en de fondsen het mogelijk gemaakt hebben dat het lectoraat de komende vier jaar een heel goede basis heeft om de werkzaamheden voort te zetten. Dit wordt beschouwd, aldus Baars, als een grote blijk van waardering voor het werk van de afgelopen jaren en als grote blijk van vertrouwen dat de ingezette lijn op een goede wijze voortgezet gaat worden. Ook Reinders noemt de continuering van de Bernard Lievegoed Leerstoel een heuglijk feit. Het laat volgens hem zien dat de leden van de NVAZ de financiële inspanning hebben willen leveren om het werk van de leerstoel voort te zetten waarmee ze aangeven dat ze het werk van de Leerstoel belangrijk vinden. Daarbij is hij zeer tevreden met de resultaten over de afgelopen periode, met name wat (internationale) publicaties en maatschappelijke uitstraling betreft.

Als we terugblikken naar de grootste verdiensten van de afgelopen jaren noemt Reinders dat het werk van de leerstoel goed heeft ingespeeld op een verschuiving in de agenda van de Nederlandse zorgsector. De vraag waar men voor staat en waarin de eigen herkenbaarheid ligt – een vraag die overigens niet alleen antroposofische instellingen bezighield – is nagenoeg verdwenen; in de plaats daarvan wordt de agenda nu gedomineerd door de vraag naar verantwoording van kwaliteit. In de gehandicaptensector heeft de leerstoel een vooraanstaande positie verworven, mede door een andere, niet-kwantificerende inzet die tevens geïnspireerd is door de antroposofische zorgpraktijk. De reacties op het boek De kunst van het zorgen wijzen uit dat dit wordt onderkend. Zo is Baars erg blij met het feit dat het in de afgelopen jaren gelukt is om een duidelijke en professionele positie qua praktijkonderzoek in te nemen in het Nederlands hoger onderwijs op het terrein van antroposofische gezondheidzorg. Met onderzoekers, docenten, studenten en (inter)nationale partners werkt het lectoraat aan de kennisontwikkeling en de circulatie daarvan. Het resultaat is dat enerzijds de antroposofische gezondheidzorg toenemend inzichtelijk en verantwoord wordt en dat anderzijds de zorgpraktijk en de opleidingen met deze kennis verder ondersteund en verbeterd worden. Hiermee is het lectoraat medeactief in het scheppen van de voorwaarden voor acceptatie en integratie van de bijdrage van de antroposofische gezondheidszorg aan de verdere ontwikkeling van de gezondheidszorg.

Dit schept natuurlijk nieuwsgierigheid naar de lijn die uitgezet is voor de volgende periode. Voor het lectoraat worden drie belangrijke pijlers genoemd. Het ontwikkelen van transparante zorgproducten, het monitoren van veiligheid, kwaliteit en (kosten)effectiviteit en tot slot het publiceren over de beroepspraktijk, de wetenschappelijke verantwoording en de innovatie van de opleidingen. Reinders geeft aan dat het voor de hand ligt de ingeslagen weg te willen vervolgen. Voor de leerstoel is het sleutelbegrip bij uitstek 'verbinding', als het hart van elke zorgpraktijk. De betekenis daarvan gaat echter verder dan de zorgpraktijk, want ook maatschappelijke processen die gericht zijn op inclusie en participatie slagen niet zonder dat mensen zich met elkaar verbinden. Ook noemt hij dat voor de ontwikkeling van het beleid nieuwe wegen gezocht moeten worden. De overheersende dwang van bureaucratie laat zich vooral voelen in een geringe aandacht voor intermenselijke verhoudingen. Een ombuiging van beleid vraagt daarom om hernieuwde waardering voor de ethische betekenis van verbinding.

Beide onderzoekers kijken uit naar het vervolg van hun werkzaamheden. Ook geven zij aan dat wederzijde ontmoeting en samenwerking zijn vruchten zal afwerpen voor de zichtbaarheid en ontwikkeling van de antroposofische gezondheidszorg. In een volgende editie van De Digitale Verbreding wordt daarom een gezamenlijk interview gepubliceerd waarin zij toelichting geven op de onderzoeksprogramma’s.
.

Ruimte voor ontwikkeling - 17 juni


Over de betekenis van verbinding in de zorg

Verslag symposium 17 juni 2010, 16.00-21.00 uur

De middag wordt ingeleid door Hans Reinders (Bijzonder Hoogleraar Bernard Lievegoed Leerstoel, VU Amsterdam) die een sleutelrol heeft gespeeld in de organisatie en coördinatie van dit symposium. Hij verduidelijkt als introductie de relatie tussen de ruimte voor ontwikkeling en de inzet van verbinding (een veelvoorkomend thema binnen de antroposofie). Om deze dag een diverse inhoud te geven heeft hij enkele sprekers gevraagd om de volgende stelling leidraad te laten zijn voorhun bijdrage:

‘Als je je als hulpverlener / medewerker verbindt met iemand / de cliënt, kom je dingen te weten die je anders niet te weten komt.’

De sprekers:
– Astrid van Zon, directeur Rozemarijn
– Erik Beemster, directeur Queeste
– Marjanke de Jong, biografie-therapeute
– Karen Wuertz, cultureel antropoloog / onderzoekster
– Lydia Helwig Nazarova, bestuurder


Astrid van Zon, directeur Rozemarijn (Raphaëlstichting)

Vertelt over haar ervaringen als leidinggevende

Het werken met kinderen die verstandelijke beperkingen hebben maakt duidelijk dat dit van invloed is op de mate van verbinding. Met enkele voorbeelden en anekdotes wordt duidelijk hoe lastig het is om met deze kinderen in verbinding te komen. Het vraagt een vergroten van het inzicht in wat iemand nodig heeft. Hoe kun je iets aanreiken dat een ander tot activiteit aanzet, tot betrokkenheid? Het gaat hierbij om het hoe, en niet om het wat. Astrid van Zon draagt twee thema’s aan: het zelf tevoorschijn komen en het inlevend waarnemen.

Het eerste gaat uit van een actieve, stemmingsvolle interesse bij de ander. Verbinding betekent dan in het moment van de zorgpraktijk in interactie komen zodat ontmoeting plaats vindt; een wisselwerking, gestoeld op een actieve aanwezigheid. Hierdoor kan zowel de ander als jijzelf tot verschijning komen en komt er een proces van herkennen en erkennen op gang.

Het tweede beschrijft de moed en het vermogen om op onderzoek uit te gaan, ook bij jezelf. Een ware wisselwerking komt in de eerste plaats tot stand door de wil om je te verbinden met het kind. Dit lukt niet zonder ook naar jezelf kijken. Daarvoor is het inlevend waarnemen een middel, de grote oefening in werkelijk kijken. Wat gebeurt er in jezelf en wat betekent de werk- of zorgrelatie voor jou en de ander?

Dit samen leren brengt een nieuw soort verbinding tot stand; voor alle medewerkers een kunst op zich, ook voor een leidinggevende, aldus Van Zon. Als afsluiter wordt Joseph Beuys aangehaald die spreekt over actieve verbinding als voorwaarde voor het kunstenaarschap waarbij het credo geldt: ‘In ieder mens schuilt een kunstenaar!’


Erik Beemster, directeur Queeste (ambulante psychiatrie, Raphaëlstichting)

Vertelt over het belang van heelheidsontwikkeling en hoe dit vorm kan krijgen.

Voor zijn werk noemt Erik Beemster het beoordelen wat een cliënt nodig heeft een van de essenties. Vaak ligt volgens hem het antwoord op iedere zorgvraag in de queeste besloten. Om te weten welke bestaande kwaliteit er is, gaat hij per definitie uit van mensen en niet van nummers. Zorg is immers nuttig en nodig. Het bewijs hiervoor is volgens hem de hele mens met geest, ziel en lichaam.

Zo ontpopt zich het begrip heelheidsontwikkeling. Hoe kan een mens weer heel worden als er geen sprake is van verbinding? In het werkproces is het hoofddoel om de ander tot innerlijke volkomenheid te laten komen. De invulling en richting van zijn werkproces heeft Erik Beemster o.a. gevonden in verschillende werken van zowel religieus-filosofische als praktisch georiënteerde aard. Hij licht in het bijzonder het begrip ‘Precensing’ toe als mogelijke uitleg of methode voor het (mogen) uitgaan van de geestelijke wereld in het werk. Het uitgangspunt hierbij is dat je met een open geest (imaginatie), een open hart (inspiratie) en een open wil (intuïtie) mogelijk iets af kunt lezen en zo meer te weten kunt komen.

Hij sluit af met een voorbeeld van het inzetten van meditatie voorafgaand aan een werkgesprek waarbij ‘Precensing’ het doel is, zoals in feite bij ieder gesprek. Beemster ervaart dat, als je deze methode werkelijk toepast, het minder noodzakelijk blijkt om van tevoren te bedenken hoe je het gaat doen of wat je gaat zeggen. Je kunt op een andere manier een gesprek ingaan, omdat je uitgaat van de liefde in ieder mens. De kunst is daar dan bij te blijven.


Marjanke de Jong, biografie-therapeute

Vertelt over de vraag van een cliënt met slaapstoornis en stressproblematiek

Een man komt op een therapiebespreking om een behandeltraject te bespreken. Aanleiding is het hebben van slaapproblemen. Het gesprek met de therapeuten verloopt niet makkelijk en op de vraag of hij iets over zijn biografie wil vertellen, gooit hij zijn boekwerk op tafel. Een handeling waarbij iemand in feite zijn leven weggeeft, zonder de vraag te stellen of iemand het wil lezen.

Ondanks dat er bij Marjanke de Jong in de dagen daarna een beeld ontstaat (in haar geval een huis op een zandvlakte zonder ramen en deuren met kleine hond die daar snuffelde), blijft het onduidelijk wat te doen, mede omdat de man ook al heel veel geprobeerd had. Voor haar komt het antwoord op de hulpvraag eigenlijk via een andere patiënt die haar teruggaf: ‘Sinds ik met jou aan de levensloop werk, slaap ik zo goed.’ Het structureel met elkaar werken en per levensfase naar de ontwikkeling kijken, had blijkbaar een effect op de slaap. Hier legt ze een verbinding naar de man en de mogelijkheid dat biografie-therapie een sleutel voor hem zou kunnen zijn.

Kort daarop belt de man uit eigen beweging om een afspraak te maken en ze gaan enthousiast aan het werk. Hij kan tijdens deze sessies niet goed in gesprek komen, maar vertelt wel het hele uur en geeft gemakkelijk antwoord op de vragen. Ook maakt hij schema’s van zijn slaapritmes die telkens met enige schrik worden ontvangen.

Na een half jaar consequent samenwerken vraagt hij of Marjanke deze schema’s nog wil ontvangen. Zij antwoordt dat zij eigenlijk niet begrijpt waarom de man niet slaapt. Hierop geeft hij aan dat het inderdaad al iets beter gaat. Uiteindelijk volgt een moment waarop hij zegt het te weten. Het ontbreekt hem aan eigenwaarde; hij dacht altijd dat hij iets niet goed doet. Nu is er naar hem geluisterd waarbij geen kritiek is gegeven. Hij beseft dat hij het wel goed gedaan heeft en ervaart zichzelf als heel. Als hij nu onrustig in bed ligt, maakt het idee dat er elders een vorm van rust bestaat hem weer rustig. Zo is hij zelf een sociale verbinding aangegaan, na een traject waarin het begrip verbinding hem in alle volheid is aangereikt.


Karen Wuertz, cultureel antropoloog / onderzoekster

Vertelt over haar ervaringen op zowel een reguliere instelling als een antroposofische instelling waar zij onderzoek heeft gedaan.

Dat je ook heel veel kunt leren over verbindingen als dingen niet goed gaan, blijkt op een van de onderzoekslocaties. Waar de eerste plek, een antroposofische instelling, vooral mooie ervaringen oplevert om te noteren, is de tweede plek, een huis waar jong volwassenen wonen met autisme, gevuld met personeel dat aangeeft moeite te hebben met het aangaan van verbindingen. Wel leeft de overtuiging dat fouten er zijn om te herstellen, en daarmee ook verbroken relaties. Het bijzondere is dat de twee plekken werken als elkaars tegenbeeld en daarmee een heel nieuw beeld opleveren.

Voorbeeld 1

We zien Marijke. Ze zit in een rolstoel. Haar begeleidster vraagt haar of ze een stukje wil lopen. Nee, ze heeft geen zin, maakt geen aanstalten. Uiteindelijk gaan ze toch op pad en ze lopen een ronde langs de keuken. Ze heeft de smaak te pakken, mede door de geluiden en de geuren. Onderweg maken ze van alles mee en op de drempel van de keuken hebben ze samen veel plezier. De begeleidster moet behoorlijk tegengewicht geven, een flinke fysieke inspanning. Ook volgt een stap over de drempel. Vanuit het onderweg zijn wordt Marijke geholpen om telkens de volgende stap te zetten.

Voorbeeld 2

Daar staat Ernst, een van de allermoeilijkste cliënten. Hij heeft veel behoefte aan voorspelbaarheid en veiligheid. Soms verliest hij dit totaal en rent hij in zijn kamertje heen en weer, doodsbang. Hij eist van twee begeleidsters om op een stoel te gaan zitten. Driftig gebaart hij dat ze plaats moeten nemen. Ook de begeleidsters zijn bang, waardoor er geen verbinding tot stand komt. Ze gaan uiteindelijk weg, want Ernst moet eerst maar even kalmeren. Hij gaat helemaal uit zijn dak, zet zijn handen tegen de deurpost en zwiepte keihard heen en weer op de drempel, in totale machteloosheid.

Deze twee drempelbeelden introduceren het concept ‘tussenwereld’, een plek van ontmoeting en onderzoek. Voorbeeld 1 schetst een situatie waarin de tussenwereld een zone is om te zoeken naar hoe te ondersteunen. Voorbeeld 2 maakt duidelijk dat Ernst hier in een niemandsland verkeert, alleen in zijn autisme, waarbij hij geen link heeft naar de tussenwereld.

De opdracht op de tweede plek was om verbinding tussen de autistische wereld (cliënten) en de gewone wereld (begeleiders) tot stand te brengen. In het voorbeeld is sprake van separatie, waarbij de tijd ervoor en erna bekeken wordt. De separatie zelf is in het werkproces echter geen onderzoeksonderwerp meer. Niemand heeft oog voor de mens die daar alleen zit, maar ook niet voor de begeleidsters en hun emoties.

Beide situaties maken de functie van de tussenwereld zichtbaar: ruimte creëren voor ontmoeting vanuit ieders eigenheid. Een wederkerig proces waarin zowel de zorgverlener als de cliënt iets komt brengen. Je nodigt de ander uit en gaat tegelijkertijd bij jezelf op zoek waarmee vrijheid in het hele proces gewaarborgd blijft.


Lydia Helwig Nazarova, bestuurder

Vertelt over ontwikkelend besturen en over de betekenis van het faciliteren van verbinden in de zorg.

Taal is in feite het voertuig van de betekenis. Als je nauwkeurig let op woorden als cliënt, product, very intensive care, zorg, flippen, opstarten en dergelijke, dan worden deze met het grootste gemak gebruikt. Vaak is angst hierbij geen onbekende motivator en vanuit angst is het hoe dan ook lastig verbinden. Je verbinden lukt als je innerlijk verbonden bent met jezelf, je eigen geschiedenis, je principes en waarden en je drijfveren. Vanuit dit proces ga je je eigen waarden onderzoeken.

Een bestuurder die zich met de core business van zijn/haar organisatie verbindt, krijgt meer te zien en is daardoor beter in staat de verborgen kwaliteiten en mogelijkheden van de primaire processen te faciliteren en in te schatten welke beweging het geheel in samenhang dient te maken. Stel daarom je organisatie voor als een menselijk lichaam: Waar voel je vitaliteit? Waar voel je pijn?

Vaak is er sprake van veel en onaffe pijn, veel negeren, enzovoort. Gaandeweg ontstonden er voor Lydia Helwig Nazarova tien verbindende principes van een bestuurder:

– Beschouwt het lichaam als organisch geheel
– Luistert en heeft gevoel voor de taal als voertuig van betekenissen
– Registreert en maakt scans
– Gaat op zoek naar gedeelde ervaringen
– Weet gemaakte en ervaren werkelijkheid te verbinden
– Voelt, denkt, wil en deelt (communiceert)
– Weet zich wederkerig afhankelijk
– Heeft het lef om niet te weten, te onderzoeken en vragen te stellen
– Is zich bewust van de rol ten dienste van de core business
– Gaat een relationele en geestelijke verbinding aan met alle stakeholders
– Is voorbeeld en navigator

Met deze principes is er heel wat te bereiken op gebied van het organisatieprincipe, het ontmoeten en een optimale samenwerking.

***

De presentaties leveren steeds dankbare bijdragen uit het publiek, die ook vervolg krijgen aan de verschillende tafels waar onderling ideeën en ervaringen uitgewisseld worden. Hans Reinders kijkt terug op een geslaagde dag en spreekt zijn dankbaarheid uit naar alle aanwezigen. Er is genoeg waardevols om mee te nemen op de zoektocht naar wat verbinding in de zorg nu eigenlijk is en hoe je hiermee omgaat. Hij hoopt dat de deelnemers verbinding zo gaan ervaren dat zij de kracht ervan verder tot ontwikkeling brengen. Tot slot ontvangen de sprekers een persoonlijke attentie van Bert Vroon, voorzitter NVAZ, die de dag besluit met eveneens een hartelijk dankwoord.

Linda te Wierike

.

 
Site Meter