Posts tonen met het label Lectoraat. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Lectoraat. Alle posts tonen

donderdag 28 maart 2013

De NVAZ in perspectief

De ledenvergadering op 11 december 2012

Na al hetgeen zich in de voorafgaande twaalf maanden had afgespeeld (zie ook ‘Recapitulatie en bezinning bij de NVAZ. De ledenvergaderingen in november 2011 en mei 2012’), vond eind 2012 een Algemene Ledenvergadering plaats waarin een nieuw perspectief voor de NVAZ gevonden moest zien te worden. Voorzichtig werden stappen gezet in een grotendeels nieuwe situatie, en, naar het zich liet aanzien, niet zonder dat er terechte hoop mocht worden gekoesterd. Toch was er nog een behoorlijk aantal niet te voorziene en niet te controleren factoren, zodat behoedzaamheid geboden was. De onverwacht hoge opkomst, zodat de vergaderruimte in gebouw Lenteleven in Zeist bijna te klein was, en de positieve stemming die tijdens de vergadering heerste, zorgden in ieder geval voor een goed begin.
De ledenvergadering was voorafgegaan door een bijeenkomst voor genodigden in Gouda op 17 oktober 2012, met de veelzeggende titel: ‘Indien er een toekomst is voor de NVAZ, hoe ziet die er uit?’ Het was een informeel gesprek tussen het bestuur van de NVAZ en een aantal stakeholders. De aanleiding waren ontwikkelingen die noopten tot evaluatie, bezinning en het formuleren van een ander perspectief voor de NVAZ, zowel qua inhoud als qua vorm.

‘Biografische’ uitdagingen

De uitkomsten werden verwerkt in de notitie ‘De NVAZ in perspectief’ van 26 november 2012, dat diende als basismateriaal voor deze ledenvergadering. De opsteller ervan, voorzitter Bert Vroon, beschreef de ontwikkelingen van de NVAZ in de jaren 2007-2012. Hij somde de ‘biografische’ uitdagingen op, waarin deze organisatie zich sinds 1 juli 2007, de oprichting van de NVAZ door een interim-bestuur, voortdurend bevindt. De aanvang werd getekend door een te hoog ambitieniveau dat tot de juiste proporties moest worden teruggebracht. De NVAZ was organisatorisch te zwaar opgetuigd en werd afgeslankt. De Ledenraad werd opgeheven.
Het werkveld was ondertussen aan grote veranderingen onderhevig. Lidinstelling Christophorus kwam in financieel zwaar weer, werd onderdeel van De Amerpoort. De Ita Wegman Stichting ging om dezelfde redenen naar de Lievegoed Zorggroep. Het Rudolf Steiner Verpleeghuis werd onderdeel van de Raphaëlstichting. De Lievegoed Zorggroep balanceerde vervolgens op de rand van de financiële afgrond. De Bellisgroep ging op in de Zonnehuizen; ook uit financiële noodzaak. De Zonnehuizen gingen failliet. LSG-Rentray en DeSeizoenen namen de Zonnehuizen via de curator over. Gevolg was ook dat NVAZ-bestuursleden verdwenen met het verdwijnen van hun organisatie of positie. Een slagvaardig en beleidsrijk team was zo nauwelijks op te bouwen.

Stand NVAZ eind 2012
Hoe was de stand bij de NVAZ op dat moment, december 2012? Na drie jaar saneren was de NVAZ op 1 januari 2012 financieel (weer) gezond. Maar met de teloorgang van Zonnehuizen Kind en Jeugd verdween ook weer ongeveer een derde van de contributieopbrengsten in 2012. Een beleidsarme noodbegroting van de NVAZ betekende daardoor het enig haalbare. Met LSG-Rentray en DeSeizoenen werden sinds kort gesprekken gevoerd over een mogelijk lidmaatschap.
Het bestuur van de NVAZ was uitgedund van zes naar vier bestuurders met derhalve twee vacatures. De institutionele zorgaanbieders brachten circa 80% van de contributie op, maar stonden zelf ook onder druk. De betrokkenheid van leden bij de NVAZ was beperkt. De NVAZ werd wel gewild maar niet echt gedragen.
Ontmoeting via congressen, onderwijs en onderzoek werden door het veld zelf en niet door de NVAZ georganiseerd. Daarmee was het profiel van de NVAZ minder zichtbaar. Voorbeelden hiervan waren en zijn de Stichting Herfstcongres, de Medische Sectie met haar voorjaarsconferentie, het Edith Maryon College (EMC) voor mbo-opleidingen, vroeger onderdeel van het Heilpedagogisch Verbond (HPV) maar apart gezet toen de NVAZ ontstond. Ook de HBO-opleiding van de beroepsverenigingen heeft in de Academie voor Antroposofische Gezondheidszorg een zelfstandige positie. Voor onderzoek is de NVAZ nauwelijks meer dan ‘incassobureau’. Het Lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg in Leiden, medegefinancierd door de NVAZ, is zichtbaarder dan de NVAZ zelf. De NVAZ werkte met een uitgedunde ‘noodbegroting’ voor 2012 en zal dat ook voor 2013 moeten doen. Personeel was tot een minimum teruggebracht, het secretariaat kent alleen twee voltijdsbanen. Door (langdurige) ziekte van de verenigingssecretaris was het secretariaat verder uitgedund.

Functies van de NVAZ
Dat is allemaal weinig florissant. Maar toch zag de voorzitter een gemengd, maar zeker niet negatief beeld. De NVAZ vervult nog steeds een aantal zeer wezenlijke functies. Zij is voor de eerstelijn een verbindende faciliterende en vertegenwoordigende schakel en vervult als zodanig een belangrijke rol. De NVAZ heeft een ‘beschermende functie’ naar het veld als geheel, zoals wanneer een van de leden, bijvoorbeeld een beroepsvereniging, onder vuur komt te liggen (denk aan incidenten). In deze zin verschaft de NVAZ legitimatie, vooral aan de therapeuten.
– Hoewel ogenschijnlijk weinig zichtbaar, is de NVAZ wel zó gepositioneerd dat zij de breedte van het veld kan overzien en verbindingen maken, naar binnen en naar buiten. Nog los van de ‘verwijsfunctie’ waarin de NVAZ een zichtbaar loket is. Die verbindingen zijn zichtbaar naar het Lectoraat, de Leerstoel, het EMC, de Academie in oprichting, internationaal, de zorgverzekeraars, ministeries enzovoort.
– De NVAZ bewerkstelligt, rechtstreeks of indirect, ontmoeting. Dat houdt ook in wisselwerking in het licht van wat antroposofische identiteit is, zoals uitwisseling van ‘best practices’ en andere uitdagingen. De NVAZ zou uniek kunnen zijn in de ontmoeting van de eerste-, tweede- en derdelijnszorg. De opdeling in sectoren heeft dat onbedoeld beperkt.
– Verder is er de coördinatie van onderzoekthema’s: de NVAZ is vertegenwoordigd in de projectbegeleidingsgroep van het Lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg aan Hogeschool Leiden en in het curatorium van de Lievegoed leerstoel aan de Vrije Universiteit. Daarin kan de NVAZ mede de onderzoeksthema’s (onderzoeksprogramma) bepalen. Dat wordt voorbereid binnen de NVAZ, waartoe er een werkgroep onderzoek is ingericht.
– Er is een regiefunctie voor onderwijs: de Academie, waarin de opleidingen van de beroepsgroepen momenteel worden ondergebracht, werd mede mogelijk gemaakt door de NVAZ. Er is de internationale functie, ook al hebben de beroepsgroepen eigen zelfstandige internationale vertegenwoordigingen. In de ‘werkgroep zorgverzekeringen’ wordt de relatie van het werkveld met de zorgverzekeraars door de NVAZ gecoördineerd.
– Tot slot zijn te noemen de Zorggids (verwijsfunctie), de website en De Digitale Verbreding. De NVAZ heeft altijd wel een rol gespeeld in het afficheren van de antroposofische zorg, maar door geldgebrek is dat helaas nog niet zo tot zijn recht gekomen als we zouden willen. De potentie is er echter wel degelijk.

Wat te doen?
Er zijn voldoende uitdagingen voor de antroposofische zorg; een vitaal samenwerkingsverband daarbinnen blijft essentieel en is helemaal van deze tijd. De NVAZ vervult, hoe onzichtbaar helaas soms ook, een aantal relevante functies. Die werden in het stakeholdersgesprek op 17 oktober door niemand betwist. Ook DeSeizoenen en LSG-Rentray zien functies voor een samenwerkingsverband weggelegd. De betrokkenheid bij de NVAZ is echter beperkt; de contributiekracht kwetsbaar en sommige regiefuncties, als deze er al zijn, diffuus. Dit betreft onderzoek, onderwijs, de internationale representatie en externe PR. Dit alles maakt intern een evaluatie nodig, maar ook gesprekken met relevante omringende collega-instellingen, zoals EMC, de Academie in oprichting en het Lectoraat.
Nu ook gesprekken met De Seizoenen en LSG-Rentray worden opgestart over een (mogelijke) aansluiting van hen bij de NVAZ, ligt het voor de hand beide zoektochten te integreren. Hierbij gaat het om het herijken van de doelstelling van de NVAZ. Inclusief missie, visie, strategie en vorm van de NVAZ, waaronder voorzitterschap, bestuur en sectorberaden.
De inschakeling van een procesbegeleider lijkt zinvol. Deze inventariseert de wensen over taken en inrichting van de NVAZ bij alle stakeholders: instellingen, potentiële NVAZ-leden, sectorberaden, bestuur en secretariaat. De procesbegeleider is afkomstig uit de antroposofische zorg of beweging, maar is ‘onafhankelijk’. Dat wil zeggen: geen belanghebbende. Vóór de zomer van 2013 moet het hele proces afgerond zijn, anders duurt het te lang. Het bestuur vroeg de Algemene Ledenvergadering in te stemmen met deze aanpak en dat deed zij. Waarmee een belangrijk nieuw perspectief voor de NVAZ was gegeven.
Naast dit belangrijke agendapunt waren er ook twee inhoudelijke bijdragen. De eerste werd gegeven door Phlipp Jan Flach, directeur van DeSeizoenen, die zijn ervaringen van de afgelopen twaalf maanden schetste. Het waren zijn eerste indrukken van de ervaringen opgedaan met de antroposofische zorg binnen De Seizoenen, als opvolger van De Zonnehuizen. De tweede bijdrage werd geleverd door Ron Dunselman, voormalig voorzitter van de Antroposofische Vereniging en voormalig opnamecoördinator en beleidsmedewerker van Arta Verslavingszorg, die sprak over de ‘schaduwzijde van de wil’.
We hopen een volgende keer over de inhoud van deze bijdragen meer te kunnen berichten. Houd daarom De Digitale Verbreding in de gaten!
(Overigens kunt op de website van de NVAZ onder ‘Actueel’ lezen dat het World Economic Forum uit Davos algemeen directeur Phlipp Jan Flach van DeSeizoenen heeft uitgeroepen tot Young Global Leader.)

Michel Gastkemper

Recapitulatie en bezinning bij de NVAZ

De ledenvergaderingen in november 2011 en mei 2012

Het wordt tijd De Digitale Verbreding nieuw leven in te blazen. Een goede aanleiding is er ook: de aanstaande Algemene Ledenvergadering op 25 april. De laatste keer dat u hier De Digitale Verbreding kon lezen, was in oktober 2011. Meteen de maand erop werd een Algemene Ledenvergadering gehouden. Aan het eind van dezelfde maand schudde een van de grootste lidinstellingen van de NVAZ, de Zonnehuizen, op zijn grondvesten: er moest surséance van betaling worden aangevraagd. Vervolgens in december 2011 failliet verklaard, in januari 2012 overgenomen door LSG-Rentray en de Groep Winter. Die gebeurtenis liet ook de NVAZ niet onberoerd.

Kwaliteit
Wat is er in de tussentijd allemaal gebeurd bij de NVAZ? In mei 2012 werd een Algemene Ledenvergadering gehouden, waarvan hier, net als die in november 2011, nog geen verslag is gedaan. Daarom roepen we deze twee kort even in herinnering. 17 november 2011 was de succesvolle eerste eendaagse Herfstconferentie van de NVAZ, met als thema: ‘Michaël als tijdgeest’. Zo’n honderd deelnemers kwamen hier op af en deelden onder leiding van Raoul Grouls enthousiast hun ervaringen.
Aansluitend werd ’s avonds de Algemene Ledenvergadering gehouden, met als speciale gast prof.dr. Hans Reinders, houder van de Bernard Lievegoed leerstoel in Amsterdam, die vertelde over de door hem ontwikkelde methode van ‘Beelden van kwaliteit’ (zie ook http://beeldenvankwaliteit.nl/, bijvoorbeeld ‘Leerervaringen binnen Rozemarijn’), waarvoor brede belangstelling bestaat. Niet alleen bij antroposofische instellingen, maar ook reguliere; verder hebben ook zorgverzekeraars en de overheid veel belangstelling getoond voor deze kwalitatieve methode.
Tijdens de vergadering werd gemeld dat in het kader van het project ‘Opleidingen in verbinding’, waarvan de coördinatie bij de NVAZ lag, men volop bezig was met de ontwikkeling van een basismodule Antroposofische Gezondheidszorg. En ook werd verteld hoe ver het stond met de ontwikkeling van de vernieuwde website. Heuglijk te noemen was het feit dat het gelukt was in drie jaar tijd de contributie met een derde te verminderen. Zorgen waren er ook, gezien de destijds al gedeeltelijk bekende, weinig rooskleurige financiële situatie bij stichting Zonnehuizen. Gevreesd werd voor de gevolgen voor de NVAZ als zij niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen.

Persbericht
De volgende Algemene Ledenvergadering op 16 mei 2012 stond in het teken van bezinning en recapitulatie. Voorzitter Bert Vroon moest constateren dat de NVAZ een bescheiden organisatie met een beperkt secretariaat is en niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het management van en het toezicht op zijn lidinstellingen. Om die reden had de NVAZ op 9 december 2011 ook een persbericht uitgegeven met de volgende inhoud:
‘Met grote bezorgdheid volgt het bestuur van de NVAZ de ontwikkelingen bij stichting Zonnehuizen, de grootste lidinstelling van de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders. Tot onze grote spijt moeten ook wij vaststellen dat de situatie zeer ernstig is. Momenteel opereert een bewindvoerder en zelfs een faillissement kan niet worden uitgesloten. In relatief korte tijd is stichting Zonnehuizen in financieel zwaar weer verzeild geraakt: voor zover ook wij hebben kunnen vaststellen moet dit helaas worden toegeschreven aan inadequaat toezicht op een bedrijf en management dat niet ‘in control’ bleek.
Wij betreuren de situatie die ontstaan is zeer voor de betrokken cliënten en hun families, zo ook voor het personeel dat zich zoveel jaren professioneel heeft ingezet. Stichting Zonnehuizen is de oudste antroposofische zorgaanbieder en kan terugzien op een rijke traditie. Wij hopen oprecht dat een doorstart van deze prachtige organisatie in welke vorm dan ook mogelijk blijft met behoud van de zo inspirerende antroposofische identiteit. Uit het land bereiken ons veel bezorgde vragen. Wij kunnen die geheel begrijpen.
Allereerst moet geconstateerd worden dat de zorg bij stichting Zonnehuizen niet ter discussie staat. De inspectie heeft slechts in een uitzonderingssituatie een maatregel genomen. De cliëntenzorg gaat onverminderd en gekwalificeerd verder. De kwaliteit en professionaliteit van de andere antroposofische zorgaanbieders in Nederland staat evenmin ter discussie. Integendeel: inspectie en zorgkantoren zijn zeer tevreden over de zorg zoals geleverd door de zorgaanbieders uit het antroposofische veld. Volgens onze informatie zijn de andere antroposofische zorginstellingen financieel gezond en is er geen sprake van verscherpt toezicht door de inspecties.
De NVAZ is een samenwerkingsverband van de antroposofische zorg, waarbij de institutionele zorgaanbieders, de beroepsverenigingen en de therapeutica zijn aangesloten. In die zin bewaken wij kwaliteit en professionaliteit van de zorg onder onze leden maar kunnen wij geen verantwoording nemen voor het door individuele leden gevoerde beleid.
Wij hopen oprecht voor alle betrokkenen dat voor stichting Zonnehuizen, haar cliënten en personeel een inspirerende toekomst geboden kan worden.’

Uitdaging
Verder kon de voorzitter melden dat uit de jaarrekening 2011 van de NVAZ bleek dat het jaar 2011 was afgesloten met een positief eigen vermogen van € 140.966. Maar niettemin concludeerde het bestuur tot slot in haar jaarverslag:
‘Het Bestuur kijkt met gemengde gevoelens terug op 2011. Voor wat betreft de NVAZ kan van een zeer constructief en vruchtbaar jaar worden gesproken, zowel inhoudelijk als financieel. We vermeldden dat in ons jaarverslag.
De teloorgang van stichting Zonnehuizen echter stelt ons opnieuw voor een uitdaging waarvan de consequenties niet geheel te overzien zijn. Desalniettemin zien we het jaar 2012 met vertrouwen tegemoet. Immers de vitaliteit van de Antroposofische Gezondheidszorg is buitengewoon en – meer dan ooit – maatschappelijk relevant. In dat beeld zal ook deze zorg nieuwe perspectieven weten te vinden.’
Om deze vitaliteit te onderstrepen was de lector Antroposofische Gezondheidszorg aan Hogeschool Leiden, Erik Baars, als gast aanwezig. Hij was op 18 november 2011 aan Wageningen Universiteit gepromoveerd tot doctor in de geneeskunde met het proefschrift ‘Evidence-based Curative Health Promotion’. Hij hield een presentatie van de voortgang en de veelbelovende toekomstplannen van het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg (zie ook http://www.hsleiden.nl/lectoraten/Antroposofische-gezondheidszorg/).
De meest recente Algemene Ledenvergadering was op 11 december 2012. Een verslag hiervan kunt u lezen in ‘De NVAZ in perspectief’.

Michel Gastkemper

woensdag 26 oktober 2011

‘Eigen regie versterken’


Praktijkonderzoek in de Antroposofische Gezondheidszorg 2011
Symposium lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg
Hogeschool Leiden, 9 december 2011, 12.45-18.00 uur

Op 9 december organiseert het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg het jaarlijkse symposium voor relaties, studenten, docenten en overige geïnteresseerden.

Praktijkonderzoek in de antroposofische gezondheidszorg

In de eerste helft van dit symposium presenteert het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg haar werkzaamheden van de afgelopen periode (2010-2011) en krijgt u een vooruitblik op de komende periode (2012 en verder). Naast deze presentaties zijn er ook enkele presentaties van gasten. De tweede helft van het symposium staat in het teken van de ‘eigen regie’ in de zorg, en heeft de vorm van een werkconferentie.

Op weg naar eigen regie van patiënten en zorgverleners

De gezondheidszorg verandert in rap tempo, de positie van de cliënt/patiënt t.o.v. de zorgprofessional verandert. We zien een inhoudelijke verschuiving naar zorgvernieuwing gericht op versterken van de eigen regie van patiënten. Eigen voorkeuren van cliënten/patiënten worden steeds belangrijker. Ook om de kosten beheersbaar te houden, wordt een steeds groter appel gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt/patiënt.

Dit wordt versterkt door de voorgenomen bezuinigingen van het kabinet waardoor er in de komende jaren veel in de gezondheidszorg zal veranderen. PGB’s verdwijnen, basispakketten verschralen en de verantwoordelijkheid voor de zorg verschuift richting gemeenten en zorgverzekeraars. Gemeenten en zorgverzekeraars hebben een grote kennisachterstand om de vraag naar het professioneel ondersteunen van eigen regie in te vullen. Zorgverleners zullen door de komende ontwikkelen hun zorgpraktijk en rol moeten veranderen. Zij moeten steeds meer vraaggestuurde zorg op maat leveren, terwijl zij hier veelal niet op voorbereid zijn. Wat is die nieuwe rol precies? En hoe kunnen zorgverleners daar het beste voor geschoold worden? Welke kennis is nodig? Welke competenties hebben zij nodig? Welke instrumenten zijn nodig?

Wat is de bijdrage van de AG aan deze ontwikkelingen? Hoe kan de AG kansen creëren en benutten? Hoe kunnen AG veld en lectoraat AG (samen met andere stakeholders) optimaal samenwerken om aan te sluiten bij deze ontwikkelingen en bijdragen en kansen mogelijk te maken? Hoe kunnen we bv. binnen het Cluster Zorg van Hogeschool Leiden en/of met reguliere partners samenwerken? Uw actieve bijdrage wordt gevraagd tijdens de verkenningen van dit gebied!

Aanmelden

Informatie over de sprekers en het programma kunt u vinden op de website. Daar vindt u ook het aanmeldformulier.

Erik Baars
Lector Antroposofische Gezondheidszorg
Hogeschool Leiden

Oktobernieuwsbrief lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg


Op 4 oktober verscheen de tiende Nieuwsbrief van het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg, met daarin veel wetenswaardig nieuws. Een greep:

‘Stand van zaken RAAK-project “In Verbinding”

In het project “In Verbinding” worden, in samenwerking met zorgverleners in de antroposofische zorg, zorgprogramma's ontwikkeld voor de eerste lijn en een manier om de uitvoering van zo’n zorgprogramma te monitoren. De stand van zaken eind augustus. Lees verder

Promotietrajecten

Het lectoraat heeft enkele promotietrajecten in voorbereiding, om de “verwetenschappelijking” van de AG een stevige impuls te geven. Voor de volgende promotietrajecten zijn de onderzoeksplannen gereed: Methodisch gebruik van kleur in de Kunstzinnige therapie, Documentatiemethoden van de kunstzinnige therapie en Patiëntcompetentie. Lees verder

International Research Newsletter

Het lectoraat heeft het initiatief genomen om een internationale Nieuwsbrief over internationaal onderzoek in de Antroposofische Gezondheidzorg en gerelateerde onderwerpen te maken. Lees verder

Verdediging proefschrift Erik Baars

Op vrijdag 18 november om 13.30 uur zal Erik Baars zijn proefschrift “Evidence-based curative health promotion. A systems biology-orientated treatment of seasonal allergic rhinitis with Citrus/Cydonia comp.” verdedigen. Lees verder

Overig kort nieuws

– Nieuwe publicaties
– Afronding 1ste fase onderzoek euritmietherapie en hooikoorts
– Afronding 1ste fase onderzoek uitwendige therapieën
– ZonMW en CAM onderzoek
– NCCAM strategisch beleidsplan
– Het lectoraat AG is nu ook op Twitter te volgen.
– Internationale onderzoeksgroep antroposofische therapieën
– Het gezondheidsconcept is wetenschappelijk in beweging

Agenda

7-9 oktober: 3 mondelinge en 4 posterpresentaties op het 4de European Congress for Integrative Medicine (ECIM) 2011 te Berlijn
29 oktober: lezing Erik Baars symposium AViN afdeling Leiden
3 november: lezing Erik Baars FVB Studiedag Vaktherapie in Zicht
18 november: verdediging proefschrift Erik Baars, Wageningen Universiteit
1-2 december: Joop Hoekman (voorzitter symposium “Onderzoek in de gehandicaptenzorg”) en Erik Baars (lezing) Congres Focus op Onderzoek VGZ (kennisplein gehandicaptenzorg/ ZonMw)
9 december: symposium lectoraat AG
8-10 maart 2012: Internationale wetenschappelijke conferentie Antroposofische Gezondheidszorg in Berlijn’

Documenteren van kunstzinnige therapie


Op de website van het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg aan Hogeschool Leiden is het volgende bericht over ‘Documentatiemethoden van de Kunstzinnige Therapie’ geplaatst:

‘Binnen de ontwikkeling van Evidence Based Medicine wordt ook van de kunstzinnige therapie verwacht dat zij de therapeutische processen op kwaliteit, veiligheid, en (kosten)effecten monitort. Om het bestaansrecht van de kunstzinnige therapie te behouden en te verbreden is het nodig om zowel therapie-effecten (“dat het werkt”) als therapie-rationale (“hoe het werkt”) voor te leggen aan diverse stakeholders.

Onder de stakeholders (verzekeraars, zorgmanagers, collega’s, cliënten, beleidmakers, etc.) heerst nog veel onbekendheid met kunstzinnige therapie. Verdere professionalisering van de kunstzinnige therapie wordt ondersteund door het kunnen aanleveren van de juiste informatie aan elke stakeholder.

Voor het aantonen van de effectiviteit is het nodig om zoveel mogelijk gegevens (data) te verzamelen van de gegeven therapieën. Dit kan onder meer door middel van het gestructureerd documenteren van cases.

Kunstzinnig therapeuten houden in meer of mindere mate een dossier bij per cliënt. Het is echter onduidelijk of dit op een uniforme wijze gebeurt, of dit gebeurt volgens een getoetste methode en of met de vastgelegde informatie alle verschillende stakeholders op de juiste manier bediend worden. Gebaseerd op oriënterend onderzoek, o.a. in Duitsland uitgevoerd (Sinapius, 2007), wordt momenteel aangenomen dat dit alles niet voldoende van toepassing is.

Onderzoek naar verschillende documentatiemethoden

Na afstemming met de NVKToag [de Nederlandse Vereniging voor Kunstzinnige Therapie op antroposofische grondslag, red.], is bij het lectoraat, in samenwerking met Ottersberg Hochschule en de Alanus Hochschule, een project gestart waarin onderzoek wordt gedaan naar de documentatiemethoden die in de kunstzinnige therapie gebruikt worden.

Met documentatiemethoden wordt bedoeld: de manier waarop de therapeut verschillende aspecten van de cliënt en de therapie bijhoudt. Dossiervorming en casusbeschrijving zijn andere verwante benamingen.

Een deel van het onderzoek richt zich op het in kaart brengen van wat er al is aan documentatiemethoden en wat er gebruikt wordt: door kunstzinnig therapeuten in Nederland, in het buitenland en door aanverwante beroepen zoals de vaktherapie.

Het andere deel van het onderzoek richt zich op de zogenaamde stakeholders: de partijen die belang hebben bij documentatie van de therapie. Dat zijn bijvoorbeeld collega-therapeuten, verwijzende artsen, verzekeraars, beleidsmakers, patiënten en KT docenten- en studenten. Aan deze partijen wordt gevraagd welke informatie over de therapie zij nodig hebben en in welke vorm.

De eerste stappen van dit onderzoek zijn inmiddels gezet: door middel van een online-enquête onder de leden van de NVKToag is onderzocht wat kunstzinnig therapeuten documenteren, hoe ze dat doen, voor wie ze dat doen en met welke doelen.

De enquête is inmiddels afgerond en de resultaten worden momenteel verwerkt. Ruim 75 kunstzinnig therapeuten hebben deelnomen en een aantal therapeuten hebben zelfs hun eigen formulieren – die zij gebruiken voor therapiedocumentatie – opgestuurd naar de onderzoeker, wat een goede bijdrage aan het onderzoek zal leveren.

De uitkomsten van dit onderzoek vormen uitgangspunten voor een promotietraject rondom dit thema.’

woensdag 25 mei 2011

Nieuws van het Lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg


Positieve externe evaluatie lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg

Op 10 februari 2011 vond een externe evaluatie van het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg aan Hogeschool Leiden plaats. Een onafhankelijke evaluatiecommissie sprak met diverse betrokkenen bij het lectoraat. Deze evaluatie heeft een positief resultaat opgeleverd. Leden van het College van Bestuur, het management van Hogeschool Leiden, stakeholders van het lectoraat, docenten, kenniskring, beleidsadviesgroep, directeur Cluster Zorg en de lector waren gesprekspartner van de evaluatiecommissie. Deze commissie was aangesteld door het College van Bestuur van Hogeschool Leiden.

De samenvatting van de bevindingen van de commissie kunt u lezen aan de hand van een zevental evaluatievragen. Het gehele evaluatierapport is te downloaden op de website van de VKO (Validatiecommissie Kwaliteitszorg Onderzoek).

Bron: http://www.hsleiden.nl/lectoraten/antroposofische-gezondheidszorg/evaluatie-ag-positief


RAAK project ‘In Verbinding’ toegekend en van start

De Stichting Innovatie Alliantie (SIA) kent jaarlijks projectgelden toe aan projecten die de kenniscirculatie tussen regionale partijen bevorderen, in het bijzonder tussen kennisinstellingen als hogescholen, het MKB en publieke instellingen. Half december 2010 werd bekend dat voor 2011-2012 aan een projectvoorstel van het Lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg financiën zijn toegekend.

In het project ‘In Verbinding’ worden in samenwerking met zorgverleners in de antroposofische zorg vier zorgprogramma’s ontwikkeld, evenals een manier om de uitvoering van zo’n zorgprogramma te monitoren. Het gaat om zorgprogramma’s voor de aanpak in de eerste lijn van depressie, hechtingsstoornissen, hooikoorts en kanker. De samenwerkingspartners in dit project zijn: vier Therapeutica, de NVAZ als bundeling van beroepsgroepen en Hogeschool Leiden, die als penvoerder optreedt.

Het doel van het project is om vernieuwende, op antroposofie gebaseerde behandelmethodes voor de eerstelijnsgezondheidszorg te ontwikkelen. Maar ook om een kennisnetwerk op te bouwen tussen onderzoekers, docenten en studenten van Hogeschool Leiden, professionals en stakeholders die zich bezighouden met zorgverlening op antroposofische grondslag.

Meegewerkt wordt door Antroposofisch Therapeuticum Leiden, Therapeuticum Aurum in Zoetermeer, Therapeuticum Calendula in Gouda en Therapeuticum Haarlem.

Bron: http://www.hsleiden.nl/lectoraten/antroposofische-gezondheidszorg/project-raak-van-start


Ontwikkeling Zorgprogramma Depressieve klachten

Het opzetten van het antroposofische zorgprogramma depressieve klachten is in volle gang. Allereerst is er contact met verschillende huisartsen geweest, die tijdens interviews vertelden welke zorg patiënten met depressieve klachten in een antroposofisch therapeuticum krijgen. Helder werd dat de NHG zorgstandaard ‘depressie’ de basis vormt voor het handelen van een antroposofisch huisarts en dat daarnaast aanvullende therapievormen ingezet worden. Vooral antroposofische medicatie, inwrijvingen en wikkels, euritmie, kunstzinnige therapie beeldend en muziek, fysiotherapie en psychosociale zorg werden genoemd.

De interviews die in samenwerking met het Werkveldteam GGZ van Hogeschool Leiden met kunstzinnig therapeuten zijn gevoerd, hebben geresulteerd in een lijst behandeldoelen en, per behandeldoel, een overzicht van behandelroutes. Op soortgelijke wijze zijn gesprekken met euritmisten gaande en zullen binnenkort gesprekken met diëtisten, verpleegkundigen, euritmietherapeuten, fysiotherapeuten, kunstzinnige muziektherapeuten en eerstelijnspsychologen volgen. Bedoeling is om tot de vaststelling van behandeldoelen te komen om zo de link tussen huisarts en therapeut te verhelderen. De meer inhoudelijke beschrijving van de behandelroutes, die tot het behandeldoel kunnen leiden, zijn vooral voor de verschillende beroepsgroepen interessant. Parallel aan deze expertinterviews wordt er in de werkgroep ‘depressie’, bestaande uit alle medewerkers van het Therapeuticum Haarlem, naar samenhang van het gehele zorgprogramma depressie gekeken. Ten slotte wordt, in samenwerking met het Therapeuticum Haarlem, gestart met het bijhouden van gegevens van patiënten met depressieve klachten om het concept zorgprogramma depressie te toetsen aan de praktijk: is de geleverde zorg effectief (minder klachten en kosten)? En meer inhoudelijk: welke zorg wordt er aan welke patiënt geleverd en met welke reden?

De fasering van het RAAK-project

Fase 1 (jan-juli 2011): conceptzorgprogramma’s maken en ontwerpregistratiesysteem.

In deze fase worden door alle partijen (onderzoekers, artsen, therapeuten en verpleegkundigen, docenten en studenten, adviseurs) optimale zorgprogramma’s ontwikkeld waarin de antroposofische diagnostiek en therapieën voor patienten met depressieve klachten, hechtingsstoornissen, hooikoorts, kanker en zo goed mogelijk tot hun recht komen. Daarnaast wordt een registratiesysteem bruikbaar voor alle vier zorgprogramma’s ontwikkeld waarin patiënten, artsen en paramedici hun gegevens kunnen registreren voor onderzoeksdoeleinden.

Fase 2 (augustus 2011-augustus 2012): toetsen concept-zorgprogramma’s en ontwerp-registratiesysteem.

In deze fase worden de zorgprogramma’s en het registratiesysteem in de praktijk geïmplementeerd in de zorgpraktijken. Op basis hiervan kan onder meer in kaart gebracht volgens welke zorgpaden patiënten behandeld worden en met welke effecten.

Fase 3 (september-december 2012): evaluatie en implementatie.

Na een jaar van praktijkonderzoek wordt de balans opgemaakt en zullen we de zorgprogramma’s en het registratiesysteem evalueren. Daar waar nodig worden ze aangepast, zodat ze in een verbeterde eindversie verder geïmplementeerd kunnen worden in de zorgpraktijk.

Bron: Nieuwsbrief In Verbinding mei 2011, zie http://www.hsleiden.nl/lectoraten/antroposofische-gezondheidszorg/nieuwsbrieven


Nieuwe medewerkers lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg

Op 1 maart heeft het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg afscheid genomen van Drs. Annerose Kunenborg, die sinds enkele jaren als freelance arts-onderzoeker aan het lectoraat was verbonden. Sinds 1 maart en 1 mei versterken Drs. Esther Kuipers en Dr. Joop Hoekman het lectoraat als respectievelijk arts-onderzoeker en associate lector Antroposofische Gezondheidszorg.

Bron: http://www.hsleiden.nl/lectoraten/antroposofische-gezondheidszorg/nieuwe-medewerkers


Project CQI Antroposofische Gezondheidszorg

Vorig jaar is het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg van start gegaan met de steekproeven ten behoeve van het CQI-onderzoek. Aan de hand van een nieuw ontwikkelde CQI-vragenlijst worden klantervaringen in de antroposofische gezondheidszorg in kaart worden gebracht. Helaas hebben deze steekproeven te weinig respons opgeleverd. Daarom is in maart in de meeste deelnemende huisartsenpraktijken gestart met aanvullende steekproeven.

De teller staat nu op iets meer dan 1800 ingevulde vragenlijsten, dus nog een kleine 200 te gaan! Ook doet een nieuwe praktijk mee, te weten therapeuticum Mercuur in Eindhoven. Eind april verwacht het lectoraat voldoende respons te hebben voor de analyse en rapportage. Eind juni wordt het onderzoeksrapport verwacht. Na goedkeuring door het Centrum Klantervaring Zorg zal de vragenlijst dan ter beschikking komen.

Bron: http://www.hsleiden.nl/lectoraten/antroposofische-gezondheidszorg/project-cqi


Project ‘ROM’-GGZ

Stichting Urtica-De Vijfsprong, een therapeutische werk- en leefgemeenschap te Vorden, neemt deel aan de ‘Routine Outcome Monitoring’-pilot van GGNet.

Routine Outcome Monitoring (ROM) is een methode om de resultaten van behandeling in de GGZ inzichtelijk te maken. Hierbij wordt systematisch de psychische gesteldheid van cliënten voor en na de behandeling gemeten. Het was echter nog niet mogelijk om de specifieke antroposofische aspecten van zorg te meten.

Het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg heeft hiervoor, in opdracht van Stichting Urtica, een aanvullende vragenlijst ontwikkeld. De vragenlijst is gebaseerd op inbreng van experts (behandelaren en zorgcoördinatoren van Stichting Urtica - De Vijfsprong en de Lievegoed Zorggroep) en baseert zich daarnaast op bestaande vragenlijsten, zoals de CQI-AG. De vragenlijst is inmiddels kleinschalig in de praktijk getest op bruikbaarheid. Momenteel wordt de vragenlijst overgedragen aan GGNet, die deze zal opnemen in de ROM-programmatuur.

Bron: http://www.hsleiden.nl/lectoraten/antroposofische-gezondheidszorg/project-rom-ggz

vrijdag 11 februari 2011

De wandeling van Erik Baars en Hans Reinders


Linda te Wierike (projectmedewerker NVAZ)

Het artikel in de vorige Digitale Verbreding over Hans Reinders (hoogleraar ethiek en tevens bijzonder hoogleraar van de Vrije Universiteit Amsterdam) en Erik Baars (arts-epidemioloog en lector antroposofische gezondheidszorg aan de Hogeschool Leiden) eindigde met de opmerking dat wederzijdse ontmoeting en samenwerking zijn vruchten zal afwerpen voor de zichtbaarheid en ontwikkeling van de antroposofische gezondheidszorg. Dit gezamenlijke interview over hun nieuwe onderzoeksperiode is het vervolg hierop.

Op de 13e verdieping van de Vrije Universiteit Amsterdam bevindt zich de kamer van Hans Reinders, een ruimte waarin één van de lange wanden totaal bedekt is met boeken. Dit is te verwachten bij een lettervreter, zoals hij zichzelf later noemt. Het wachten is nog even op Erik Baars, maar die komt al gauw enthousiast binnen en neemt plaats met in zijn hand de lijst met interviewvragen. Een van de onderwerpen is wat er de komende jaren op de onderzoeksagenda staat. Toch is het aardig om bij het begin te beginnen en eens te vragen naar het moment waarop onderzoek een rol ging spelen in hun leven.

Hans Reinders: ‘De eerste keer dat ik het gevoel had daar mee bezig te zijn, was toen ik de scriptie voor het vak Oude Testament maakte. Hier stuitte ik op een merkwaardig woordgebruik en ben dat toen grondig gaan uitzoeken. Lettervreter als ik ben, heb ik tijdens mijn studie theologie ook nog twee jaar Semitische talen gestudeerd, Jiddisch, Talmoed, Hebreeuws, allemaal talen die je nodig hebt om in relatie tot het Oude Testament en de joodse traditie te kunnen onderzoeken. Maar uiteindelijk werd het toch een ander vak in de theologie. Bij systematische theologie werd ik student-assistent en daar heb ik het onderzoeken geleerd door in de keuken te kijken. Dit was tevens de entree op mijn wetenschappelijke loopbaan.’

Erik Baars: ‘Rond mijn negende wist al dat ik dokter wilde worden. In de puberteit was ik altijd al bezig met hoe de wereld en de dingen in elkaar zitten. Rond m’n 25e ging ik een reis maken en met een aantal antroposofische boeken in mijn koffer bedacht ik mij dat ik iets met antroposofie en antroposofische geneeskunde wilde doen als ik terug was. Ik werd toen door mijn broer gevraagd om stage te komen lopen bij het Louis Bolk Instituut. Daar ben ik anderhalf jaar geweest en kwam daar in aanraking met onderzoek. Het mooie aan onderzoek is dat je iets kunt communiceren en kwaliteitverbetering teweeg kunt brengen. Je laat mensen uitwisselen over hun ervaringen, bundelt deze en systematiseert. Daarmee kun je iets goeds voor de antroposofische gezondheidszorg doen, waardoor het bijvoorbeeld geaccepteerd wordt. Dat komt uiteindelijk de patiënt weer ten goede en daar doen we het voor. Binnen al deze werkzaamheden is de antroposofie voor mij de grootste inspiratiebron. Ik denk dat wij een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de gezondheidszorg, maar het realiseren hiervan staat allemaal nog enorm in de kinderschoenen. In deze tijd help ik graag om dat verantwoord voor elkaar te krijgen.’

Hans Reinders legt het mooie van onderzoek als volgt uit.

‘Een heldere onderscheiding, dus: wat hoort bij wat? Ik wil weten wat mensen bedoelen; wat ze in hun hoofd hebben als ze welke taal gebruiken. Goed onderzoek doen betekent je begrippen goed op scherp zetten. Het is in feite weinig anders dan de indrukken die je hebt van de wereld te helpen ordenen. En als je heldere beschrijvingen maakt en vragen stelt die kloppen, dan heb je geen ingewikkelde zinnen nodig – daar houd ik van. Wat mij hierbij inspireert is niet zozeer iets of iemand. Maar waardoor ik telkens weer zin heb om een volgende stap te zetten, is dat ik merk dat wat ik zeg de mensen helpt om na te denken. Ze zeggen altijd dat ik ze weer erg aan het denken heb gezet. Dat komt denk ik voor een deel door dat ordenen.’

Erik Baars: ‘Deze manier van naar onderzoek kijken herken ik wel. Ik ga uit van de driehoek wetenschap, theorievorming en methodologie. Dit heeft een conceptuele kant en ik redeneer graag. Bijvoorbeeld over vragen als: wat is holisme en wat is reductionisme? Wat is gezondheid en hoe bevorder je die? Daar horen argumenten bij en ook een heel empirische kant, het toetsen van hypothesen. Het gaat erom een goed concept te ontwikkelen dat innerlijk consistent is, dat aansluit bij andere theorieën en dat in overeenstemming is met de empirische feiten. Dat is wat Hans ontzettend goed beschrijft.’

Hans Reinders: ‘Ik wil daar graag aan toevoegen dat ik soms antroposofen hoor praten die ik totaal niet begrijp. Dat heb ik bij Erik totaal niet, want hij redeneert altijd. Voor iemand als ik is dat prettig. Ik ben nooit zo bezig met theorievorming en het valideren daarvan. In de geesteswetenschappen vind ik het begrip theorie niet erg functioneel. Het suggereert een stand van wetenschap waarin we sommige vragen niet meer stellen, want die zijn opgelost. Als dat een adequaat beeld zou zijn, zouden we in de theologie en de filosofie veel verder moeten zijn dan een paar honderd jaar geleden. Dat zie ik niet zo. Het gaat nog altijd om dezelfde vragen. We stellen ze alleen in een andere context.’

Erik Baars: ‘Daar ligt ook het punt waarop wij elkaar kunnen vinden of aanvullen. Als er zoiets bestaat als het etherische of het astrale, dan moet je daar een concept van kunnen maken en dit kunnen beredeneren. Het komt aan op de nauwkeurigheid van de conceptontwikkeling en de wetenschappelijke benadering. Dit betreft bijvoorbeeld ook de betekenis van kwaliteit als we kijken naar een individu in relatie tot de zorgprofessional. In het lectoraat willen we op professionele wijze zichtbaar maken hoe in de antroposofische gezondheidszorg gewerkt wordt en dit zoveel mogelijk intact laten. Die richting zie ik bij Hans ook, alleen gaat hij daar nog verder in en is hij nog specifieker georiënteerd op dit onderdeel van de kwaliteit van de cliënt-zorgprofessional interactie. Op dit vlak doen we verschillende dingen, maar onder de grote noemer hebben we elkaar wat te bieden.’

Hans Reinders: ‘Dat klopt. Wat wij nu met de Lievegoed leerstoel aan het doen zijn met het onderzoek “beelden van kwaliteit”, is de aandacht richten op de wederkerige verbinding. Dus de persoon met een beperking en zijn begeleider. Als je daar naar kijkt zie je heel concrete aspecten van kwaliteit in de ervaringen van de mensen om wie het gaat. Er zit een focus in, die kijkt naar kwaliteit van bestaan als iets van een individu, niet van een groep of een cohort. Dat gaat in de richting van individualisering, maar dan meer als een prisma. Daardoor krijgen we veel concretere informatie over kwaliteit dan wordt verkregen door de nu gehanteerde meetinstrumenten. Kwantificering is altijd abstractie van de concrete betekenis van ervaring.’

Hier ontvouwt zich een onderscheidende manier van werken en daarmee ontstaat de vraag of het verschil te vangen is in de begrippen kwalitatief en kwantitatief onderzoek. Dit blijkt echter wat genuanceerder te liggen.

Hans Reinders: ‘Voor zover ik zie is Erik geïnteresseerd in de werkzaamheid van dingen. Dat is niet mijn eerste punt van evaluatie. Ik kijk naar wat mensen met elkaar doen. Als je de bijdrage van de antroposofische zorg laat lopen via de vraag “Wat is de opbrengst wanneer je deze therapie toepast of die?”, dan wil je iets anders weten dan waar wij mee bezig zijn. Het gaat mij om proces, niet om uitkomst. Er is wel een relatie tussen die twee, maar ik zoek niet naar een manier om die relatie te kunnen vastleggen.’

Erik Baars: ‘Voor de relatieve buitenstaander is kwantitatief en kwalitatief een mooi onderscheid. Maar naarmate je meer begrijpt, dan zie je dat het kwalitatieve onderzoek gaat over: wat is er eigenlijk allemaal? Daarop kun je aansluiten met kwantitatief onderzoek. Zo kun je in kaart brengen in welke mate een organisatie individugeoriënteerd werkt en de mate waarin kun je proberen getalsmatig uit te drukken in een getal tussen 1 (helemaal niet) en 10 (optimaal). Dat is een meting die heel wat anders laat zien dan het meten van de bloeddruk of het aantal rode bloedcellen. Hier zie je dat je het kwantitatieve kunt aansluiten bij het kwalitatieve. Dus als Hans het heeft over een goede, optimale relatie tussen cliënt en zijn zorgverlener, dan kun je ook spreken over een heel slechte. Je kunt hier gaan kwantificeren en kijken of je daar met mensen consensus over kunt krijgen. Het is niet in eerste instantie waar Hans naar toewerkt, maar wat wel degelijk zou kunnen.’

Hans Reinders: ‘Als het gaat om de wederkerigheid van een zorgrelatie, dan moet je eigenlijk niet willen meten, maar ik val Erik bij: het kan in principe wel. Dus is voor mij als iemand van de heldere onderscheiding de vraag: waar zit dan het verschil? Het zit hem in het stellen van de betekenisvraag. Je kunt namelijk niet zien aan de meetresultaten wat die relatie nu precies voor de betrokkenen betekent. In het hele kwaliteitsverhaal is dat een aangelegen kwestie. Met het op tafel leggen van cijfers, die informatie geven over frequentie en distributie, schakel je de vraag uit naar de betekenis van wat mensen drijft en wat ze motiveert. En om als externe instantie de mensen te stimuleren dingen anders te gaan doen, heb je die drijfveer en die motivatie nodig. Wat ik nu probeer te doen is een manier te ontwikkelen van over kwaliteit denken inclusief het verantwoorden daarvan, waardoor de toezichthouders zichzelf niet als een externe instantie zien, maar als deel van het proces en daarmee óók geïnteresseerd zijn in wat mensen drijft. Zo wordt het een samenwerkingverband, veel meer dan een manier van examineren om te kijken of je kandidaten slagen, al dan niet aan de eisen voldoen. Dat is waarom ik denk dat je dit met kwantitatief onderzoek niet goed te pakken krijgt.’

Erik Baars: ‘Hans geeft hier aan: wij exploreren iets en daarin speelt betekenisgeving een belangrijke rol. Als je dat logisch en transparant wilt doen, dan kun je niet alleen met een kwaliteitssysteem werken. Als je het als organisatie van belang vindt om met informatie te werken waarop je kunt sturen, dan zul je de betekenisvraag daarin een plek moeten geven op een manier die verenigbaar is met het kwaliteitssysteem. Kun je aantonen dat dit belangrijk is voor zowel individu als organisatie, dan wordt het veel gemakkelijker om aan de andere kant dingen te doen. Zelf ken ik de betekenisgeving aan de andere kant van het gezondheidsonderzoek. In het hele vraagstuk van salutogenese is meaningfulness een van de belangrijke pilaren. Wat blijkt? Mensen die een hoge “sense of coherence” hebben als individu, hebben zowel een betere psychosociale als fysieke gezondheid. Ook functioneert deze categorie mensen beter in hun arbeidsomstandigheden. Dit is empirisch aangetoond en daarmee is het om allerlei redenen relevant voor de volksgezondheid, en dus voor organisaties die dit willen implementeren. We zitten duidelijk in een soort overgangsfase waarbij druk gezocht wordt naar nieuwe manieren om hierin te handelen zonder de controle los te laten. Ik denk dat Hans heel erg bijdraagt aan het hele denken en de theorievorming daarover, wij doen het vanuit de andere kant en dat heeft ook zijn invloed.’

Dan geeft Hans Reinders een indruk van het onderzoek wat antropologen voor de Bernard Lievegoed leerstoel doen, waarvan ‘De kunst van het zorgen’ dat hij samen met Karen Wuertz schreef een eerste resultaat was. In alle onderzoeksverhalen worden heel concrete ervaringen niet alleen zichtbaat maar ook voelbaar. Behoorlijk schokkende ervaringen, maar ook prachtige dingen en knappe vondsten. Kleine scènes en mooie beelden die laten zien wat bijvoorbeeld mensen met ernstige meervoudige beperkingen en hun begeleiders meemaken. De grootste uitdaging voor dit soort onderzoek – als het gaat om de betekenisgeving – ligt in het vlak van de methodologie, namelijk hoe te verantwoorden dat observeren en “meekijken” betrouwbare informatie oplevert.

Hier haakt Erik Baars op in en noemt ook een voorbeeld van praktijkmethodologie. Het lectoraat heeft onderzoek gedaan bij het Kindertherapeuticum in Zeist waarbij gekeken is naar het methodisch aspect van het tot stand komen van oordeelsvorming. Het is gebleken dat dit daar heel anders plaats vindt dan in een regulier proces, waarbij in de meeste gevallen zeer vroeg in het zorgproces een diagnose wordt gesteld. Bij de antroposofische werkwijze in het Kindertherapeuticum vindt dit moment veel later in het proces plaats. Diverse indrukken spelen een rol, er zijn veel disciplines bij betrokken, om zo uiteindelijk tot een consensus te komen over het zogenaamde beeld van de patiënt. Hieraan wordt ook een andere betekenisgeving verleend, waarmee het therapeutisch traject ook anders wordt. De overeenkomst tussen de twee onderzoekspraktijken is dat in beide situaties verschillende lagen bekeken worden. Wel is het zo dat Erik Baars het antroposofisch inhoudelijke deel hier veel meer in meeneemt.

Hans Reinders bevestigt dit verschil, maar is evengoed geïnteresseerd in wat voor mensen de antroposofie bijzonder maakt. Hij kan globaal twee groepen mensen onderscheiden. De ene groep vindt het eigene van de antroposofie heel belangrijk, de andere groep vindt dat een volstrekt onbelangrijke kwestie, maar is evenzeer een antroposofische overtuiging toegedaan. Of iets antroposofisch is of niet, is volgens sommigen de laatste vraag waar Steiner in geïnteresseerd zou zijn. Praktisch is uiteindelijk van belang hoe dingen in het brede veld hun weg vinden. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de verbindingsfilosofie duidelijk overeenkomt met de wederkerige groei. Reinders ziet veel parallellen tussen reguliere en antroposofische zorg, maar heeft in de reguliere zorg nog nooit ervaren dat het zorgproces gaat over wederkerige ontwikkeling. Daar wordt de ontwikkeling van de begeleider deskundigheidsbevordering genoemd, maar dat is iets anders dan de persoonlijke groei waarover het in de wederkerige ontwikkeling gaat. Hij benadrukt dat de inbreng van dergelijke inzichten heel goed mogelijk is zonder het gebruiken van antroposofische termen, ook voor niet-antroposofen.

Baars antwoordt hierop met een voorbeeld over euritmietherapie, ingezet bij een zorgprogramma hooikoorts, waarbij je lijf leert bepaalde in zich gestructureerde (bewegings)patronen over te nemen die blijkbaar een herstellende, gezondheidbevorderende werking hebben. Dat heeft wederom met ontwikkeling te maken en ook hier is in principe geen antroposofische taal nodig. Wat wel noodzakelijk is, is deze zaken op het spoor te komen en helder te maken dat het begrip wederkerigheid een rol speelt. Het lectoraat zoekt naar manieren om dit ontwikkelingsdenken uit te rollen en te verbreden. Dit doen ze door vier samengestelde zorgprogramma’s te optimaliseren en stapje voor stapje te verantwoorden. Mensen met hooikoorts komen er dan achter dat er andere werkende middelen zijn, waardoor je op een gegeven moment van je geijkte geneesmiddel afkomt. Dit als voorbeeld van maatschappelijke zichtbaarheid, exemplarisch voor de antroposofische gezondheidszorg. En zo blijken er zowel verschillen als overeenkomsten in hun benadering en visie te bestaan.

Tijd om een ander balletje op te gooien. Stel, beide onderzoekers zouden een geheel verzorgd weekend met elkaar gaan wandelen. Wat zou dit opleveren en waar worden de werkzaamheden wellicht binnen een gezamenlijk project ingevuld?

Erik Baars: ‘Mijn missie is de antroposofische zorg verder te helpen ontwikkelen en geaccepteerd te krijgen. We hebben in Nederland en in Europa overall weinig middelen om dat doel na te streven. Het is dan ook alleszins waard om alle onhebbelijkheden en dingen waar we elkaar niet in kunnen vinden even aan de kant te zetten en te kijken waar meerwaarde gecreëerd kan worden. Als we misschien één dingetje extra doen, dan hebben we daar allebei profijt van en levert het meer op voor het geheel. Als ik ons gesprek een beetje aftast, dan hebben wij op deze wandeling nog genoeg te bespreken om tot eind 2014 te doen wat we kunnen om elkaar te versterken. Niet omdat het allemaal moet, maar om dingen te doen die ons allebei en de missie iets opleveren.’

Hans Reinders: ‘Ja, ik ga graag met Erik op stap. Ik zou van de gelegenheid gebruik maken om weer wat verder komen in mijn begrip van de antroposofie en waar dat betekenis geeft. Ik kijk daar naar als een relatieve buitenstaander, maar om dat goed te snappen vind ik op zichzelf een mooi doel. Zo vind ik Steiner een overduidelijke representant van zijn tijd en als ik hem op die manier bekijk dan begrijp ik een heleboel. Toch is het goed om na te gaan wat ik er nu wel en niet van snap. Dan heb ik aan deze wandeling met Erik voorlopig wel weer even genoeg om over na te denken. Ook zal ik hem uitleggen hoe de plannen voor de leerstoel eruit zien. We gaan namelijk in een afgeslankte vorm verder. De beschikbare formatie is enkel die van mij en daarom lijkt het mij goed om het bij één project te houden en dit de komende vijf jaar verder uit te werken. Ik wil inhaken op onder andere het begrip “quality of life” en hiervoor dynamische methodieken ontwikkelen. Daarom houd ik het graag smal, hoewel er genoeg artikelen over te schrijven zijn...’

Erik Baars: ‘Voor mij gaat het om goede kwalitatieve kennis maken. Ik doe dit het liefst in de vorm van proefschriften, omdat je daarmee een garantie hebt op goede kennis en er komen artikelen, discussies, mensen met een PhD en een netwerk van (antroposofische) onderzoekers uit voort. Een ander thema is enkele voorbeelden van “best practices” eruit te lichten en deze te monitoren, bijvoorbeeld veilige geneesmiddelen die effect hebben. Als je dit niet kunt aantonen, dan houdt het op. Daar heeft Hans veel minder last van in zijn onderzoek, maar bij ons is het een must om op genoeg plekken te laten zien dat er meer is dan een placebo-effect. Anders ben je binnen tien jaar aan de kant geschoven.’

Hans Reinders: ‘Inderdaad, dit is een heel belangrijk gegeven. Dit verschil snappen zorgt ervoor dat je ziet waar de overlap ligt. Wat ik probeer is om de mensen die aan de touwtjes trekken af te helpen van het idee “one size fits all”. Alle parameters die in de geneeskunde gebruikt worden, worden via evidence based retoriek op alle sectoren uitgestort, ongeacht de vraag of dat wat er gemonitored moet worden zich daar voor leent. Het is mijn streven ze weg te krijgen van het idee dat je op exact dezelfde manier de kwaliteit van het werken in een papierwerkplaats kunt verantwoorden als dat je via de geneeskunde kunt verantwoorden of je tabletjes werken.’

Nu het beeld geschetst is van de komende jaren, wordt ook even stil gestaan bij de NVAZ-leden. Zij kunnen, behalve dat hun financiële bijdrage het onderzoek mogelijk maakt, wellicht ook nog een andere participerende rol vervullen.

Erik Baars: ‘Zonder de leden kan ik bijna niets doen, omdat de kennis in de handen en voeten zit van hen die zorg verlenen en omdat we de zorgpraktijk willen helpen optimaliseren. Wij hopen dus heel erg dat de NVAZ-leden bereid zijn om in die projecten mee te draaien, zodat wij iets kunnen doen voor het grotere geheel. Daarnaast is er de beleidsadviesgroep die wij deze periode nog breder hebben ingericht. Wij vragen deze mensen om met ons mee te denken in de beleidsvorming en te helpen strategisch richting te geven aan het lectoraat. Voor deze twee dingen zet ik de communicatie optimaal in, zodat het veld ziet dat we dingen doen die echt aan de orde zijn. Zo hebben we recent een RAAK-subsidie gekregen voor een project dat echt samen met het veld samen ontwikkeld gaat worden. Een prachtig vertrekpunt om plannen te kunnen realiseren!’

Hans Reinders: ‘De ontwikkeling van ons project zit in de gehandicaptenzorg, zonder principiële reden. Wat wij doen zou ook in een therapeuticum of in de psychiatrie kunnen. Gezien de algemene schreeuw om iets anders dan die becijfering en externe controle, ben ik er zeker voorstander van dit ook naar de andere sectoren uit te zetten, maar de praktijk moet dit nog aantonen. Ik hoop dat de NVAZ-leden zien wat de betekenis is. Ik zie dat de ontstane versmalling wellicht vragen oproept en dat ik soms te ver op afstand ben. Maar ik hoop antwoorden te kunnen geven die nieuwe mogelijkheden schetsen.’

Erik Baars: ‘Zowel de leerstoel als het lectoraat zijn gevraagd om te rapporteren aan de NVAZ-leden. Zo horen zij wat we aan het doen zijn en plaats je kennis en ervaring zodanig in een context dat het voor alle leden boeiend wordt. Dan is er nog het PAG (Platform Antroposofische Gezondheidszorg). Daar zou jij ook aan kunnen deelnemen. Dan ben je niet Hans Reinders op afstand, maar iemand die iets kan bieden voor de hele NVAZ.’

Hans Reinders: ‘Daar heb je een goed punt!’

Zo komen verschillende routes aan bod om onderzoek levendig te maken voor de leden. Door de wisselwerking tussen de onderzoekspraktijk en de vragen die terugkomen uit het veld, wordt zichtbaar dat er inderdaad een andere manier van kijken nodig is en dat deze in ontwikkeling is.

Hans Reinders: ‘Binnen ons project heeft een lidinstelling van de NVAZ hoog ingezet op dit type onderzoek om een gedegen discussie met hun zorgkantoor te kunnen voeren over kwaliteit van zorg en ondersteuning en over de vraag hoe je die zichtbaar maakt. Wat zij daarmee aan de kaak hopen te stellen is de manier om naar output van de antroposofische zorg te kijken. Hun weg daarin zou voor meer zorgaanbieders kunnen gelden en is zelfs een voorbeeld van innovatief handelen. In zoverre dat ze de zorgverzekeraar de vraag hebben gesteld: bedoelen jullie nu echt dat als kwaliteit meetbaar is, alles wat niet meetbaar is dan ook geen kwaliteit kan hebben? Nou, daar was door het zorgkantoor nog nooit op die manier over nagedacht; een nieuwe stap is gezet.’

Erik Baars: ‘Ik hoop dat in de afgelopen jaren ook bij besturen duidelijk is geworden dat we een soort bedreigde diersoort aan het worden zijn. Er zullen inderdaad stappen gezet moeten worden in het expliciet maken en verantwoording afleggen. Als we dat niet doen, ben ik bang dat we niet overleven. Ik denk dat die boodschap inmiddels aankomt. Ik heb zestien jaar midden in de praktijk gezeten en weet hoe ongelooflijk mooi de antroposofische gezondheidszorg bijdraagt. Maar ik weet ook welke beperkingen er zijn en wat er nog ontwikkeld moet worden. In die zin ben ik echt een bouwer. Ik probeer netwerken en onderzoekslijnen uit te zetten, zodat we die weg beter kunnen afleggen. Als ik mensen in dit proces mee neem en ze op weg help, zijn ze vaak heel dankbaar. De inzet en wens om het allemaal samen te doen – ieder vanuit zijn eigen kwaliteiten – is heel sterk.’

Laatste ronde, laatste boodschap...

Hans Reinders: ‘Ik vind het jammer dat de NVAZ zijn werkgroep onderzoek kwijt is. Dat was voor mij een belangrijke plek om feeling te hebben met verschillende aspecten van antroposofische zorg. Ik krijg nu minder zaken op mijn netvlies. Er zit structureel een groot verschil in hoe een lectoraat is opgebouwd en hoe een leerstoel functioneert. Leerstoelen zijn altijd nog koninkrijken. Lectoraten zijn bijvoorbeeld met een kenniskring opgetuigd; daar worden zaken in verband gebracht met elkaar. Als houder van een bijzondere leerstoel heb je bijvoorbeeld geen toegang tot het curriculum. Ik kan studenten via een briefje op het prikbord uitnodigen dat ze voor vrije punten bij mij college kunnen volgen. Erik zit op een heel andere manier in zijn veld verankerd. Vandaar dat ik die werkgroep een belangrijke bron van informatie vond.’

Erik Baars: ‘Overzicht – ik vind het belangrijk voor het veld dat er een totaalbeeld is van wat er allemaal gebeurt. Wij zijn momenteel wat rijker dan de NVAZ en willen graag een overzicht van onderzoeksprojecten maken en dit up to date te houden. Zo wordt het allemaal wat zichtbaarder. Hans zou hier bijvoorbeeld ook over zijn activiteiten kunnen vertellen. Het tweede is dat we een internationale nieuwsbrief willen maken om ook in Europa meer samenhang en consistentie te creëren. Bij de medische sectie is helemaal geen geld om zoiets te doen. Als we dit een paar keer per jaar doen, kan dat enorm veel helpen. Dit bieden wij het veld graag aan.’

Aan het einde van het gesprek lijkt het erop dat Erik Baars en Hans Reinders al aan hun wandeling begonnen zijn. In de antwoorden klinkt door dat er nog veel boeiende stappen gaan volgen en dat zij elkaar inderdaad goed aanvullen. De passie voor onderzoek is door beiden op zeer persoonlijke wijze vormgegeven. Bij de een zijn taal en tekst leidend in het grondig zoeken naar antwoorden en oplossingen. In dit proces is het begrip betekenisgeving zeer belangrijk, omdat cijfers en meetinstrumenten nooit een compleet verhaal vertellen. De bedoeling is wellicht om mensen kritisch te laten nadenken over wat ze eigenlijk aan het doen zijn en of middel en doel wel samen gaan. De ander is, vanuit een ongekende nieuwsgierigheid naar hoe de wereld in elkaar zit, bezig om aantoonbaar en inzichtelijk te maken dat de antroposofische gezondheidszorg veel moois te bieden heeft. Dit gaat gepaard met een ondernemerschap dat – door te bouwen aan netwerken en door met de beschikbare middelen samenwerking en innovatie te creëren – een optimaal resultaat beoogt dat iedereen ten goede komt. Deze ontmoeting en hun gezamenlijke zichtbaarheid zullen er aan bijdragen dat de begrippen kwaliteit en wederkerigheid de komende jaren nog vaak de revue zullen passeren binnen het brede onderzoeksveld... Een avontuurlijke route gewenst!

RAAK-subsidie ingezet op ‘In verbinding’


Vernieuwing van de eerstelijnszorg met antroposofische inzichten

Het Lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg heeft Raak-subsidie verkregen voor een speciaal onderzoeksproject.

Aanleiding voor dit project zijn belangrijke ontwikkelingen in de gezondheidszorg op het gebied van eisen ten aanzien van professionalisering. In de reguliere zorg wordt veel aandacht besteed aan de ontwikkeling van protocollen, richtlijnen, DBC’s en zorgprogramma’s op basis van wetenschappelijk onderzoek. Hiermee kan de reguliere zorg verantwoording geven aan stakeholders en inzicht verschaffen aan bijvoorbeeld verwijzers en patiënten. Voor de antroposofische gezondheidszorg is de uitdaging om een innovatieproces in gang te zetten dat de mogelijkheid biedt om de specifieke individugeoriënteerde eigenschappen van antroposofische gezondheidszorg op professionele wijze neer te zetten en in praktijk te brengen; en dit innovatieproces te ondersteunen met wetenschappelijk onderzoek. Met deze subsidie kunnen de komende twee jaar de verschillende doelen gerealiseerd worden – een fantastische ontwikkeling! We houden u op de hoogte van de vorderingen.

Gezondheidsbevordering PAG-breed


Op 19 januari van dit jaar werd er in Driebergen een ‘PAG-breed’ bijeenkomst gehouden, voor iedereen die betrokken is bij een vorm van antroposofische gezondheidszorg. Als thema was gekozen voor ‘Gezondheidsbevordering in de antroposofische gezondheidszorg’, met als onderliggende vragen ‘Hoe is dat nu verweven met de antroposofische zorgpraktijk? Hoe zichtbaar is dit? Is een andere koers gewenst?’

In 2009 was er een eerdere algemene bijeenkomst van het Platform Antroposofische Gezondheidszorg (PAG) met als thema ‘Maatschappelijke zichtbaarheid’. Zie de eerdere bijdragen ‘PAG-bijeenkomst “Maatschappelijke Zichtbaarheid”’ en ‘De antroposofische gezondheidszorg anno 2009’. In het PAG komen vertegenwoordigers bijeen van de zorgaanbieders, de landelijke patiëntenvereniging, het landelijk ouderverbond, de opleidingen, het onderzoek, de geneesmiddelenproducenten, allen die betrokken zijn bij het veld van de antroposofische gezondheidszorg.

In de bijeenkomsten van het PAG het afgelopen jaar werd aandacht besteed aan vraagstukken rond de identiteit en profilering van de antroposofische gezondheidszorg. Profileert zij zich als ‘regulier plus’ of als integratieve of als duurzame gezondheidszorg? Ook de preventieve kant van de zorg is besproken. Het begrip preventie bleek veel verschillende betekenissen te hebben en ook verwarring op te roepen.

Gezondheidsbevordering is een thema dat in de gehele gezondheidszorg veel aandacht heeft. Dit thema werd kort ingeleid door Erik Baars vanuit de onderzoeksresultaten en tevens vanuit patiëntenperspectief. Najaar 2010 vond een bijeenkomst plaats met als titel ‘Impulsen voor een toekomstige gezondheidszorg’, voortgekomen uit een samenwerkingsverband van de Netwerkuniversiteit, Weleda NV en de Iona Stichting. Zie ook ‘Bouwstenen voor een toekomstige gezondheidszorg. Invitational Conference 10 september’. De gecomprimeerde resultaten van deze bijeenkomst zullen verschijnen in de vorm van een manifest. Hierin komen elementen tevoorschijn die voor het thema gezondheidsbevordering van belang zijn. Hans Nijnens bracht deze elementen van het manifest naar voren.

In de Grote Tuinzaal van Antropia was maar een klein en select gezelschap van 25 aanwezigen bijeengekomen, maar dat maakte er de discussie na afloop van de inleidingen niet minder interessant op. PAG-voorzitter Ted van Schie trapte af, waarna Truida de Raaf refereerde aan de vorige PAG-breed met Jeroen Lutters, waarbij het ging over de verschillende huidige generaties. En aan het feit dat je de antroposofische gezondheidszorg niet meer zo kunt presenteren als vijf jaar geleden. Zoals die bijvoorbeeld destijds in een flyer werd getypeerd als ‘aanvulling voor iedereen’. Al gauw trad Erik Baars naar voren, de lector Antroposofische Gezondheidszorg aan Hogeschool Leiden, met een bijdrage die gedeeltelijk zou overlappen met zijn presentatie op de lectoraatsdag in november, zei hij er verontschuldigend bij.

Hij begon met de definiëring van wat gezondheid is, en dat deze verbeterd zou moeten worden. De oude stamt namelijk nog uit 1948; eind 2009 werd hiervoor een internationale bijeenkomst georganiseerd door de Gezondheidsraad en ZonMW. Van oudsher stamt het idee dat ziekte bestreden moet worden.

Maar het kan ook anders. Idealiter staat de gezondheid centraal, met daar omheen zulke elementen als fysieke aanpassing en vitaliteit, ‘resilience’ (weerstandsvermogen), salutogenese (zelfhelend vermogen), ‘role taking’ (eigen verantwoordelijkheid nemen). Vanuit deze blikrichting opgevat is gezondheid dynamische zelfregulatie op drie niveaus, waarbij ook een lerend vermogen is inbegrepen:

Fysieke zelfregulatie: ontsteking, soms met koorts, en ritmen.
Psychosociale zelfregulatie: vaardigheden op emotioneel en sociaal gebied.
Betekenisgeving: zelfregulatie in de biografie, levensdoelen stellen en hulpbronnen aanboren.
Maar is er ook bewijs in de bestaande wetenschappelijke literatuur op deze drie niveaus? Jazeker, zei lector Erik Baars. Hij gaf enkele voorbeelden:
– koorts in relatie tot kanker,
– koorts en ontsteking in relatie tot allergische aandoeningen (ziek worden om later gezond te kunnen zijn, bijvoorbeeld op een zorgboerderij in contact komen met onzuivere stoffen, waardoor later minder antibioticagebruik nodig is),
– Sense of Coherence en gezondheid: sterke relatie aan de psychische kant met kwaliteit van leven, minder ziekte en dood, tot 30% minder bijvoorbeeld bij hart- en vaatziekten en kanker,
– betekenisgeving: evenzo een sterke correlatie met kwaliteit van leven.
Wat betekent dit voor het patiëntenperspectief? Het onderstreept het belang van de competente patiënt, die zoveel mogelijk zelfsturend is, door:
– ziekte als opgave te zien,
– eigen doelen te stellen,
– autonomie te bewaren,
– zich te bezinnen op mogelijkheden
– en actief bronnen hiertoe te benutten.
Wat is de antroposofische bijdrage aan het patiëntenperspectief? Enkele voorbeelden:
– terughoudend beleid inzake koortswerendheid en antibiotica,
– zelfregulerende vaardigheden ontwikkelen voor lichaam, psyche en betekenisgeving,
– veel ervaring met professionele integratie van ziektebestrijding en zelfregulatie.
In de antroposofische zorg is veel kennis en expertise aanwezig op deze gebieden. Deze combinatie van kennis en expertise mag wel uniek worden genoemd. Nu gaat het er om die eigen bijdrage zichtbaar te maken en in te brengen, zowel op conceptueel als professioneel niveau. Dat zal meehelpen aan een duidelijke profilering en positionering.

Vervolgens gaf Hans Nijnens een terugblik op het symposium van 10 september 2010, over bouwstenen voor de toekomst van de gezondheidszorg. Hij bracht drie niveaus van verandering ter tafel: inhoud, organisatie en financiën.

Wat inhoud betreft: voorkeur voor een gezondheidsbevorderende benadering in plaats van een ziektebestrijdende. Maar wel door goed onderzoek te doen naar de bronnen hiervan; academisch onderzoek heeft merendeels een ander accent. In de filosofische hoofdstromingen zijn verschillende wetenschapsbenaderingen te onderkennen. Het gaat om humanisering van de zorg, in plaats van medicalisering van de zorg.

Wat organisatie betreft: de emancipatie van de patiënt is slechts tot de helft gevorderd. Naast rechten hebben patiënten ook plichten. Zoals verantwoordelijkheid voor de eigen gezondheid; die kan een nieuwe solidariteit kweken. Ook de beroepscode zou hieraan moeten worden aangepast.

Wat financiering betreft: het individualiseringsproces en het eigen keuzes maken is een feit. Daarbij zou ook het fors verhogen van de eigen bijdrage horen, en juist minder bijdragen aan de collectiviteit. Nu is het nog zo dat de kwantiteit wordt gefinancierd, in plaats van de kwaliteit. Er kan steeds meer, technisch gesproken. Dat roept de vraag op: wat nog wel en wat niet meer? Dus moeten er echte ethische keuzes gemaakt worden.

Na de pauze barstte de discussie los. Er werden drie stellingen over gezondheidsbevordering ingebracht:

1. zelfregulatie op drie niveaus is al aanwezig in de antroposofische gezondheidszorg,
2. kan nog meer ontwikkeld worden,
3. kan nog meer geprofileerd worden – maar hoe is deze zichtbaar en vindbaar te maken?
De aanwezigen gaven enkele goede voorbeelden: in Noord-Holland gaat men om de tafel zitten als vrijschool, therapeuticum en ambulante GGZ-begeleiding, om te kijken wat men voor elkaar kan betekenen en ook om indien nodig naar elkaar te verwijzen.

De Nederlandse Vereniging van Antroposofische Artsen plaatste tijdens de Pink Ribbon-campagne een kleine advertentie over borstkanker, en verwees voor het uitgebreide verhaal naar de eigen website, waar speciaal meer hierover was te vinden. Heel recent is het voornemen geboren om de vaccinatiebrochure van het Centrum voor Sociale Gezondheidszorg integraal online te zetten.

Hans Nijnens benadrukte het altijd onderbouwen van je beweringen met wetenschappelijk materiaal. Erik Baars onthulde dat er recent subsidie is verkregen voor de ontwikkeling van zorgprogramma’s. Daarmee zal de herkenbaarheid van de eigen zorgverlening, inclusief indicaties, een grote stimulans kunnen krijgen. De subsidie is speciaal voor hogescholen die praktijk en theorie weten samen te brengen. Het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg heeft op dat gebied heel wat te bieden.

Michel Gastkemper

Symposium dat staat als een huis


Symposium ‘Gezondheid bevorderen’ in Leiden – 12 november 2010

Een bijzonder rijke dag was het derde symposium van het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg aan Hogeschool Leiden op vrijdag 12 november 2010 over ‘Gezondheid bevorderen’ (zie ook ‘Een terugblik’). Nu zijn we niets anders gewend – we worden in Leiden elke keer echt verwend – maar deze keer had het symposium echt een meerwaarde. Niet zozeer doordat het in de nieuwe aula, niet meer bij de ingang, maar aan de achterzijde van het gebouw, werd gehouden, of doordat er tussendoor steeds een verrassende opmaat gezamenlijk door vader Adriaan Bekman op bassaxofoon en dochter Michaela Bekman met euritmie werd verzorgd. Hoewel dat ook al kleine pareltjes waren! Misschien waren het de internationale sprekers: Bengt Lindström uit Finland, Max Moser uit Oostenrijk en Annette Weisskircher uit Duitsland. Maar ook de inbreng van Peter Kooreman en Erik Baars zelf mocht er zijn. De eerste vier genoemden zijn allemaal professor, Erik Baars doctorandus (het complete programma vindt u hier). Hoe het ook zij, dit symposium stond als een huis.

Bengt Lindström, die je bijna wel een hoogleraar Salutogenese kunt noemen, gaf een overzicht van al zijn weten op dit gebied. En dat was veel. Zo ging het over de capaciteit om hulpbronnen van gezondheid aan te boren en te gebruiken. Daar zijn we niet op gericht, alleen op het wegwerken van ziekte. Hij noemde het een levenshouding: vind je eigen bronnen, op verschillende niveaus, beginnend met je eigen gevoel. Ook schetste hij de vijf hoofdproblemen: roken, gebrek aan beweging, ongezond eten, alcohol en mentale problemen. Hij is mede-auteur van het nog te verschijnen boek The Hitchhiker’s Guide to Salutogenesis.

Max Moser, van de Universiteit van Graz, bestudeert de ritmen in de biologie: chronobiologie. Hij had een buitengewoon interessant verhaal. Anders dan Lindström, die vooral achter zijn laptop zat om zijn Powerpointpresentatie maar goed over het voetlicht te krijgen, maakte hij direct contact met de zaal. Probleem hier was weer de verstaanbaarheid: als een Duitstalige in het Engels begint te spreken, moet je dubbel je oren spitsen. Het mooie was dat Moser met zulke concrete voorbeelden kwam. Na een algemeen verhaal over ritmen en het belang van slaap, kwam hij op onderzoek waaruit bleek dat vrouwen die in ploegendienst werken een grotere kans op borstkanker hebben. En nog sterker was zijn onderzoek naar euritmietraining, compleet met koperstaven, voor bouwvakkers om ongelukken te verminderen. Dat werkte bijzonder goed, wat vooral na twee maanden bleek uit de kwaliteit van hun slaap. De ongevallen namen evenredig af: van vijf tot zelfs nul procent. Het onderzoek werd uitgebreid naar 85 bouwbedrijven: 50% minder ziektes, 25% minder ongevallen. De conclusie van Moser: chronobiologie is net zo belangrijk als fysieke en psychische gezondheid. Het tijdsorganisme van de mens is van grote (en misschien wel beslissende) invloed.

Erik Baars ging in zijn bijdrage op dit thema door: je moet veel dynamischer gaan denken, niet alleen in termen van óf ziek óf gezond, maar in ritmen, in de tijd. Je lichaam is een organisme dat zich constant volledig vernieuwt. Hij kwam uit op het stimuleren van de zelfregulering, op drie niveaus: fysiek, psychosociaal, betekenisgevend. En ook hij kon hierbij concrete voorbeelden leveren. De behandeling van ontsteking en koorts bijvoorbeeld; bij ziektebestrijding worden gewoonlijk koortswerende en andere antimiddelen gebruikt. Maar onderzoek naar koorts en kanker en koorts en allergie leert dat koorts een vorm van zelfregulatie is. De antroposofische bijdrage is dan weinig koortswerende middelen te gebruiken, maar wel goede begeleiding te bieden. Ook haalde hij het voorbeeld van hooikoorts aan, en misteltherapie. Dus de focus op zelfregulatie, maar dit zal nog wel verder moeten worden uitgewerkt.

Vervolgens was de beurt aan gezondheidseconoom Peter Kooreman, die samen met Erik Baars in juni 2010 een verkennend onderzoek publiceerde naar antroposofische behandelingen (zie ‘Antroposofische zorg goedkoper’). Hij voelde zich als econoom een beetje een vreemde eend in de bijt, tussen al deze gezondheidszorgmensen. Maar met zijn vraag ‘is antroposofische gezondheidszorg kosteneffectief?’ leek hij mij hier juist perfect op zijn plaats. Hij stelde dat hierbij goed regulier wetenschappelijk onderzoek hard nodig is. Maar dan moeten de kosten en baten wel in samenhang worden bezien, met een brede biografische blik daarop. Hiervoor zijn adequate gegevens nodig, en de grootste zorgvuldigheid bij de statistische analyse. Een voorbeeld van hoe het niet moet, was voor hem het nieuws in dagblad Trouw van 14 februari 1992, waarbij uit gegevens van ziekenfonds Spaarneland werd geconcludeerd: de kosten van antroposofische gezondheidszorg liggen lager. Die conclusie had op basis van de beschikbare gegevens nooit getrokken mogen worden.

Kooreman gaf een illustratief voorbeeld van met welke gegevens je idealiter allemaal rekening zou moeten houden bij de samenhang tussen kosten en baten. Maar in de praktijk zijn die heel lastig te verkrijgen, toonde hij aan bij zijn eigen onderzoek en bij een recente Zwitserse studie (zie ook ‘Zwitserse studie kosteneffectiviteit complementaire behandelwijzen’).

Een bijzonder probleem stipte Kooreman hierbij nog even aan: wat behelst antroposofie eigenlijk? Hij is verbonden aan de Universiteit van Tilburg, die bij bovengenoemd onderzoek grote welwillendheid toonde. Maar als je verder wilt, moet wel duidelijk zijn waarover het gaat. Iedereen weet wat acupunctuur en homeopathie is, heeft daar een idee bij. Maar dat is niet zo bij wat antroposofie is. Die horde moet nog worden genomen en zou het in gang zetten van groot onderzoek zeer vergemakkelijken.

De laatste lezing was voor rekening van professor Annette Weisskircher, zij sprak over ‘Gesundheitsförderung in der Eurythmietherapie’. Zij is verbonden aan de Alanus Hochschule für Kunst und Gesellschaft, waar sinds 2003 erkenning voor deze studierichting bestaat. Sinds 2007 is er zelfs een Master euritmie. Er bestaan bij de euritmiestudie vier richtingen: Bühneneurythmie, Eurythmie in sozialen Arbeitsfeldern, Eurythmiepädagogik en Eurythmietherapie.

Weisskircher vertelde over haar onderzoek naar hooikoortsbehandeling met euritmietherapie. Ik kon me echter niet aan de indruk onttrekken dat deze studierichting, in ieder het geval het onderzoek ernaar, nog in de kinderschoenen staat. Dan hebben we in Nederland in de afgelopen jaren toch al heel wat stappen meer gemaakt! Waarbij concreet gezocht wordt naar een optimale uitwisseling tussen theorie en praktijk. Nu is euritmie wel een moeilijk onderzoeksgebied, lastig om concreet te maken. Hier werd bovendien nog zo uitgegaan van de bewijsvoering voor wat Steiner bijna honderd jaar geleden bij een bepaalde gelegenheid te berde heeft gebracht. Niet verkeerd, maar daarmee begeef je je wel in een moeilijke positie. Maar zoals Duitsers eigen is, wordt er heel grondig en intensief aan gewerkt, dus wie weet wat er nog uitkomt!

Michel Gastkemper

 
Site Meter