Posts tonen met het label Onderzoek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Onderzoek. Alle posts tonen

donderdag 28 maart 2013

De NVAZ in perspectief

De ledenvergadering op 11 december 2012

Na al hetgeen zich in de voorafgaande twaalf maanden had afgespeeld (zie ook ‘Recapitulatie en bezinning bij de NVAZ. De ledenvergaderingen in november 2011 en mei 2012’), vond eind 2012 een Algemene Ledenvergadering plaats waarin een nieuw perspectief voor de NVAZ gevonden moest zien te worden. Voorzichtig werden stappen gezet in een grotendeels nieuwe situatie, en, naar het zich liet aanzien, niet zonder dat er terechte hoop mocht worden gekoesterd. Toch was er nog een behoorlijk aantal niet te voorziene en niet te controleren factoren, zodat behoedzaamheid geboden was. De onverwacht hoge opkomst, zodat de vergaderruimte in gebouw Lenteleven in Zeist bijna te klein was, en de positieve stemming die tijdens de vergadering heerste, zorgden in ieder geval voor een goed begin.
De ledenvergadering was voorafgegaan door een bijeenkomst voor genodigden in Gouda op 17 oktober 2012, met de veelzeggende titel: ‘Indien er een toekomst is voor de NVAZ, hoe ziet die er uit?’ Het was een informeel gesprek tussen het bestuur van de NVAZ en een aantal stakeholders. De aanleiding waren ontwikkelingen die noopten tot evaluatie, bezinning en het formuleren van een ander perspectief voor de NVAZ, zowel qua inhoud als qua vorm.

‘Biografische’ uitdagingen

De uitkomsten werden verwerkt in de notitie ‘De NVAZ in perspectief’ van 26 november 2012, dat diende als basismateriaal voor deze ledenvergadering. De opsteller ervan, voorzitter Bert Vroon, beschreef de ontwikkelingen van de NVAZ in de jaren 2007-2012. Hij somde de ‘biografische’ uitdagingen op, waarin deze organisatie zich sinds 1 juli 2007, de oprichting van de NVAZ door een interim-bestuur, voortdurend bevindt. De aanvang werd getekend door een te hoog ambitieniveau dat tot de juiste proporties moest worden teruggebracht. De NVAZ was organisatorisch te zwaar opgetuigd en werd afgeslankt. De Ledenraad werd opgeheven.
Het werkveld was ondertussen aan grote veranderingen onderhevig. Lidinstelling Christophorus kwam in financieel zwaar weer, werd onderdeel van De Amerpoort. De Ita Wegman Stichting ging om dezelfde redenen naar de Lievegoed Zorggroep. Het Rudolf Steiner Verpleeghuis werd onderdeel van de Raphaëlstichting. De Lievegoed Zorggroep balanceerde vervolgens op de rand van de financiële afgrond. De Bellisgroep ging op in de Zonnehuizen; ook uit financiële noodzaak. De Zonnehuizen gingen failliet. LSG-Rentray en DeSeizoenen namen de Zonnehuizen via de curator over. Gevolg was ook dat NVAZ-bestuursleden verdwenen met het verdwijnen van hun organisatie of positie. Een slagvaardig en beleidsrijk team was zo nauwelijks op te bouwen.

Stand NVAZ eind 2012
Hoe was de stand bij de NVAZ op dat moment, december 2012? Na drie jaar saneren was de NVAZ op 1 januari 2012 financieel (weer) gezond. Maar met de teloorgang van Zonnehuizen Kind en Jeugd verdween ook weer ongeveer een derde van de contributieopbrengsten in 2012. Een beleidsarme noodbegroting van de NVAZ betekende daardoor het enig haalbare. Met LSG-Rentray en DeSeizoenen werden sinds kort gesprekken gevoerd over een mogelijk lidmaatschap.
Het bestuur van de NVAZ was uitgedund van zes naar vier bestuurders met derhalve twee vacatures. De institutionele zorgaanbieders brachten circa 80% van de contributie op, maar stonden zelf ook onder druk. De betrokkenheid van leden bij de NVAZ was beperkt. De NVAZ werd wel gewild maar niet echt gedragen.
Ontmoeting via congressen, onderwijs en onderzoek werden door het veld zelf en niet door de NVAZ georganiseerd. Daarmee was het profiel van de NVAZ minder zichtbaar. Voorbeelden hiervan waren en zijn de Stichting Herfstcongres, de Medische Sectie met haar voorjaarsconferentie, het Edith Maryon College (EMC) voor mbo-opleidingen, vroeger onderdeel van het Heilpedagogisch Verbond (HPV) maar apart gezet toen de NVAZ ontstond. Ook de HBO-opleiding van de beroepsverenigingen heeft in de Academie voor Antroposofische Gezondheidszorg een zelfstandige positie. Voor onderzoek is de NVAZ nauwelijks meer dan ‘incassobureau’. Het Lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg in Leiden, medegefinancierd door de NVAZ, is zichtbaarder dan de NVAZ zelf. De NVAZ werkte met een uitgedunde ‘noodbegroting’ voor 2012 en zal dat ook voor 2013 moeten doen. Personeel was tot een minimum teruggebracht, het secretariaat kent alleen twee voltijdsbanen. Door (langdurige) ziekte van de verenigingssecretaris was het secretariaat verder uitgedund.

Functies van de NVAZ
Dat is allemaal weinig florissant. Maar toch zag de voorzitter een gemengd, maar zeker niet negatief beeld. De NVAZ vervult nog steeds een aantal zeer wezenlijke functies. Zij is voor de eerstelijn een verbindende faciliterende en vertegenwoordigende schakel en vervult als zodanig een belangrijke rol. De NVAZ heeft een ‘beschermende functie’ naar het veld als geheel, zoals wanneer een van de leden, bijvoorbeeld een beroepsvereniging, onder vuur komt te liggen (denk aan incidenten). In deze zin verschaft de NVAZ legitimatie, vooral aan de therapeuten.
– Hoewel ogenschijnlijk weinig zichtbaar, is de NVAZ wel zó gepositioneerd dat zij de breedte van het veld kan overzien en verbindingen maken, naar binnen en naar buiten. Nog los van de ‘verwijsfunctie’ waarin de NVAZ een zichtbaar loket is. Die verbindingen zijn zichtbaar naar het Lectoraat, de Leerstoel, het EMC, de Academie in oprichting, internationaal, de zorgverzekeraars, ministeries enzovoort.
– De NVAZ bewerkstelligt, rechtstreeks of indirect, ontmoeting. Dat houdt ook in wisselwerking in het licht van wat antroposofische identiteit is, zoals uitwisseling van ‘best practices’ en andere uitdagingen. De NVAZ zou uniek kunnen zijn in de ontmoeting van de eerste-, tweede- en derdelijnszorg. De opdeling in sectoren heeft dat onbedoeld beperkt.
– Verder is er de coördinatie van onderzoekthema’s: de NVAZ is vertegenwoordigd in de projectbegeleidingsgroep van het Lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg aan Hogeschool Leiden en in het curatorium van de Lievegoed leerstoel aan de Vrije Universiteit. Daarin kan de NVAZ mede de onderzoeksthema’s (onderzoeksprogramma) bepalen. Dat wordt voorbereid binnen de NVAZ, waartoe er een werkgroep onderzoek is ingericht.
– Er is een regiefunctie voor onderwijs: de Academie, waarin de opleidingen van de beroepsgroepen momenteel worden ondergebracht, werd mede mogelijk gemaakt door de NVAZ. Er is de internationale functie, ook al hebben de beroepsgroepen eigen zelfstandige internationale vertegenwoordigingen. In de ‘werkgroep zorgverzekeringen’ wordt de relatie van het werkveld met de zorgverzekeraars door de NVAZ gecoördineerd.
– Tot slot zijn te noemen de Zorggids (verwijsfunctie), de website en De Digitale Verbreding. De NVAZ heeft altijd wel een rol gespeeld in het afficheren van de antroposofische zorg, maar door geldgebrek is dat helaas nog niet zo tot zijn recht gekomen als we zouden willen. De potentie is er echter wel degelijk.

Wat te doen?
Er zijn voldoende uitdagingen voor de antroposofische zorg; een vitaal samenwerkingsverband daarbinnen blijft essentieel en is helemaal van deze tijd. De NVAZ vervult, hoe onzichtbaar helaas soms ook, een aantal relevante functies. Die werden in het stakeholdersgesprek op 17 oktober door niemand betwist. Ook DeSeizoenen en LSG-Rentray zien functies voor een samenwerkingsverband weggelegd. De betrokkenheid bij de NVAZ is echter beperkt; de contributiekracht kwetsbaar en sommige regiefuncties, als deze er al zijn, diffuus. Dit betreft onderzoek, onderwijs, de internationale representatie en externe PR. Dit alles maakt intern een evaluatie nodig, maar ook gesprekken met relevante omringende collega-instellingen, zoals EMC, de Academie in oprichting en het Lectoraat.
Nu ook gesprekken met De Seizoenen en LSG-Rentray worden opgestart over een (mogelijke) aansluiting van hen bij de NVAZ, ligt het voor de hand beide zoektochten te integreren. Hierbij gaat het om het herijken van de doelstelling van de NVAZ. Inclusief missie, visie, strategie en vorm van de NVAZ, waaronder voorzitterschap, bestuur en sectorberaden.
De inschakeling van een procesbegeleider lijkt zinvol. Deze inventariseert de wensen over taken en inrichting van de NVAZ bij alle stakeholders: instellingen, potentiële NVAZ-leden, sectorberaden, bestuur en secretariaat. De procesbegeleider is afkomstig uit de antroposofische zorg of beweging, maar is ‘onafhankelijk’. Dat wil zeggen: geen belanghebbende. Vóór de zomer van 2013 moet het hele proces afgerond zijn, anders duurt het te lang. Het bestuur vroeg de Algemene Ledenvergadering in te stemmen met deze aanpak en dat deed zij. Waarmee een belangrijk nieuw perspectief voor de NVAZ was gegeven.
Naast dit belangrijke agendapunt waren er ook twee inhoudelijke bijdragen. De eerste werd gegeven door Phlipp Jan Flach, directeur van DeSeizoenen, die zijn ervaringen van de afgelopen twaalf maanden schetste. Het waren zijn eerste indrukken van de ervaringen opgedaan met de antroposofische zorg binnen De Seizoenen, als opvolger van De Zonnehuizen. De tweede bijdrage werd geleverd door Ron Dunselman, voormalig voorzitter van de Antroposofische Vereniging en voormalig opnamecoördinator en beleidsmedewerker van Arta Verslavingszorg, die sprak over de ‘schaduwzijde van de wil’.
We hopen een volgende keer over de inhoud van deze bijdragen meer te kunnen berichten. Houd daarom De Digitale Verbreding in de gaten!
(Overigens kunt op de website van de NVAZ onder ‘Actueel’ lezen dat het World Economic Forum uit Davos algemeen directeur Phlipp Jan Flach van DeSeizoenen heeft uitgeroepen tot Young Global Leader.)

Michel Gastkemper

Recapitulatie en bezinning bij de NVAZ

De ledenvergaderingen in november 2011 en mei 2012

Het wordt tijd De Digitale Verbreding nieuw leven in te blazen. Een goede aanleiding is er ook: de aanstaande Algemene Ledenvergadering op 25 april. De laatste keer dat u hier De Digitale Verbreding kon lezen, was in oktober 2011. Meteen de maand erop werd een Algemene Ledenvergadering gehouden. Aan het eind van dezelfde maand schudde een van de grootste lidinstellingen van de NVAZ, de Zonnehuizen, op zijn grondvesten: er moest surséance van betaling worden aangevraagd. Vervolgens in december 2011 failliet verklaard, in januari 2012 overgenomen door LSG-Rentray en de Groep Winter. Die gebeurtenis liet ook de NVAZ niet onberoerd.

Kwaliteit
Wat is er in de tussentijd allemaal gebeurd bij de NVAZ? In mei 2012 werd een Algemene Ledenvergadering gehouden, waarvan hier, net als die in november 2011, nog geen verslag is gedaan. Daarom roepen we deze twee kort even in herinnering. 17 november 2011 was de succesvolle eerste eendaagse Herfstconferentie van de NVAZ, met als thema: ‘Michaël als tijdgeest’. Zo’n honderd deelnemers kwamen hier op af en deelden onder leiding van Raoul Grouls enthousiast hun ervaringen.
Aansluitend werd ’s avonds de Algemene Ledenvergadering gehouden, met als speciale gast prof.dr. Hans Reinders, houder van de Bernard Lievegoed leerstoel in Amsterdam, die vertelde over de door hem ontwikkelde methode van ‘Beelden van kwaliteit’ (zie ook http://beeldenvankwaliteit.nl/, bijvoorbeeld ‘Leerervaringen binnen Rozemarijn’), waarvoor brede belangstelling bestaat. Niet alleen bij antroposofische instellingen, maar ook reguliere; verder hebben ook zorgverzekeraars en de overheid veel belangstelling getoond voor deze kwalitatieve methode.
Tijdens de vergadering werd gemeld dat in het kader van het project ‘Opleidingen in verbinding’, waarvan de coördinatie bij de NVAZ lag, men volop bezig was met de ontwikkeling van een basismodule Antroposofische Gezondheidszorg. En ook werd verteld hoe ver het stond met de ontwikkeling van de vernieuwde website. Heuglijk te noemen was het feit dat het gelukt was in drie jaar tijd de contributie met een derde te verminderen. Zorgen waren er ook, gezien de destijds al gedeeltelijk bekende, weinig rooskleurige financiële situatie bij stichting Zonnehuizen. Gevreesd werd voor de gevolgen voor de NVAZ als zij niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen.

Persbericht
De volgende Algemene Ledenvergadering op 16 mei 2012 stond in het teken van bezinning en recapitulatie. Voorzitter Bert Vroon moest constateren dat de NVAZ een bescheiden organisatie met een beperkt secretariaat is en niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het management van en het toezicht op zijn lidinstellingen. Om die reden had de NVAZ op 9 december 2011 ook een persbericht uitgegeven met de volgende inhoud:
‘Met grote bezorgdheid volgt het bestuur van de NVAZ de ontwikkelingen bij stichting Zonnehuizen, de grootste lidinstelling van de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders. Tot onze grote spijt moeten ook wij vaststellen dat de situatie zeer ernstig is. Momenteel opereert een bewindvoerder en zelfs een faillissement kan niet worden uitgesloten. In relatief korte tijd is stichting Zonnehuizen in financieel zwaar weer verzeild geraakt: voor zover ook wij hebben kunnen vaststellen moet dit helaas worden toegeschreven aan inadequaat toezicht op een bedrijf en management dat niet ‘in control’ bleek.
Wij betreuren de situatie die ontstaan is zeer voor de betrokken cliënten en hun families, zo ook voor het personeel dat zich zoveel jaren professioneel heeft ingezet. Stichting Zonnehuizen is de oudste antroposofische zorgaanbieder en kan terugzien op een rijke traditie. Wij hopen oprecht dat een doorstart van deze prachtige organisatie in welke vorm dan ook mogelijk blijft met behoud van de zo inspirerende antroposofische identiteit. Uit het land bereiken ons veel bezorgde vragen. Wij kunnen die geheel begrijpen.
Allereerst moet geconstateerd worden dat de zorg bij stichting Zonnehuizen niet ter discussie staat. De inspectie heeft slechts in een uitzonderingssituatie een maatregel genomen. De cliëntenzorg gaat onverminderd en gekwalificeerd verder. De kwaliteit en professionaliteit van de andere antroposofische zorgaanbieders in Nederland staat evenmin ter discussie. Integendeel: inspectie en zorgkantoren zijn zeer tevreden over de zorg zoals geleverd door de zorgaanbieders uit het antroposofische veld. Volgens onze informatie zijn de andere antroposofische zorginstellingen financieel gezond en is er geen sprake van verscherpt toezicht door de inspecties.
De NVAZ is een samenwerkingsverband van de antroposofische zorg, waarbij de institutionele zorgaanbieders, de beroepsverenigingen en de therapeutica zijn aangesloten. In die zin bewaken wij kwaliteit en professionaliteit van de zorg onder onze leden maar kunnen wij geen verantwoording nemen voor het door individuele leden gevoerde beleid.
Wij hopen oprecht voor alle betrokkenen dat voor stichting Zonnehuizen, haar cliënten en personeel een inspirerende toekomst geboden kan worden.’

Uitdaging
Verder kon de voorzitter melden dat uit de jaarrekening 2011 van de NVAZ bleek dat het jaar 2011 was afgesloten met een positief eigen vermogen van € 140.966. Maar niettemin concludeerde het bestuur tot slot in haar jaarverslag:
‘Het Bestuur kijkt met gemengde gevoelens terug op 2011. Voor wat betreft de NVAZ kan van een zeer constructief en vruchtbaar jaar worden gesproken, zowel inhoudelijk als financieel. We vermeldden dat in ons jaarverslag.
De teloorgang van stichting Zonnehuizen echter stelt ons opnieuw voor een uitdaging waarvan de consequenties niet geheel te overzien zijn. Desalniettemin zien we het jaar 2012 met vertrouwen tegemoet. Immers de vitaliteit van de Antroposofische Gezondheidszorg is buitengewoon en – meer dan ooit – maatschappelijk relevant. In dat beeld zal ook deze zorg nieuwe perspectieven weten te vinden.’
Om deze vitaliteit te onderstrepen was de lector Antroposofische Gezondheidszorg aan Hogeschool Leiden, Erik Baars, als gast aanwezig. Hij was op 18 november 2011 aan Wageningen Universiteit gepromoveerd tot doctor in de geneeskunde met het proefschrift ‘Evidence-based Curative Health Promotion’. Hij hield een presentatie van de voortgang en de veelbelovende toekomstplannen van het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg (zie ook http://www.hsleiden.nl/lectoraten/Antroposofische-gezondheidszorg/).
De meest recente Algemene Ledenvergadering was op 11 december 2012. Een verslag hiervan kunt u lezen in ‘De NVAZ in perspectief’.

Michel Gastkemper

woensdag 26 oktober 2011

Column Hans Reinders: ‘Kwaliteit van Bestaan’


Deze column gaat over het begrip ‘kwaliteit van Bestaan’, maar het duurt even voordat ik daar ben, want ik begin heel ergens anders, te weten bij de vraag wat antroposofische zorg bijzonder maakt. Dat deze vraag in antroposofische kring vaak wordt gesteld, heeft op zichzelf niets met antroposofie te maken, maar met het karakter van een identiteitsgebonden visie. Zorgaanbieders die zichzelf als ‘christelijk’ afficheren, staan voor precies dezelfde vraag. Sterker nog, de vraag is ook niet specifiek voor zorg, want ze geldt bijvoorbeeld ook in het onderwijs. In zoverre een identiteitsgebonden visie het hele bestaan omvat, geldt ze voor alle levensterreinen. Bijvoorbeeld ook voor de ethiek. Wat maakt ‘christelijke ethiek’ anders dan andere ethiek?

Omdat ik met deze laatste vraag vertrouwd ben, weet ik dat er in principe twee soorten antwoorden zijn. De eerste zegt dat ‘goed’ voor christenen precies hetzelfde inhoudt als voor andere mensen. Dit antwoord relativeert dus het ‘eigene’. Het tweede antwoord zegt dat christenen zich in hun antwoord laten leiden door de boodschap van het Evangelie. Dit antwoord benadrukt het eigene van de bijzondere bron waarnaar wordt verwezen.

Precies dezelfde onderscheiding kan ik maken in de antwoorden die in antroposofische kring worden gegeven. ‘De vraag wat antroposofische zorg onderscheidt is niet belangrijk; het gaat erom dat het goede zorg is.’ Dat is het eerste antwoord. Het tweede antwoord zegt: ‘Antroposofische zorg laat zich leiden door een bijzondere mensvisie die is ontleend aan de filosofie van Rudolf Steiner.’

In het onderzoek voor de Bernard Lievegoed leerstoel dat we aan de Vrije Universiteit in Amsterdam uitvoeren, speelt het begrip ‘Kwaliteit van Bestaan’ een belangrijke rol. In dat onderzoek komt de naam van Rudolf Steiner nergens voor, zelfs de term ‘antroposofie’ zult u niet in de stukken aantreffen. Toch kan ik aan de hand van het begrip ‘Kwaliteit van Bestaan’ laten zien dat de herkomst van wat we in dat onderzoek doen onmiskenbaar is.

In de zorgsector in Nederland wordt een theorie over ‘Kwaliteit van Bestaan’ aangehangen, die afkomstig is van de Amerikaanse onderzoeker Bob Schalock. Deze theorie wordt ingezet om te kunnen onderzoeken wat zorgsystemen bijdragen aan de kwaliteit van bestaan van hun gebruikers. Samen met andere onderzoekers heeft Schalock een theorie ontwikkeld die quality of life inventariseert in acht domeinen. Als je mensen waar ook ter wereld vraagt wat ze belangrijk vinden voor een goed bestaan, dan blijken ze antwoorden te geven die goed vergelijkbaar zijn. Ze laten zich rubriceren in domeinen als ‘lichamelijk welzijn’, ‘psychisch welbevinden’, ‘sociale relaties’, enzovoort.

Een van de acht domeinen die Schalock c.s. hebben geïdentificeerd, heet ‘ontwikkeling’. In de hele wereld blijken mensen het belangrijk te vinden dat ze hun talenten ontwikkelen. Dit is op zichzelf niet opmerkelijk. Wel opmerkelijk is dat je vanuit een antroposofische visie direct ziet dat dit een merkwaardige opvatting is. Hoezo is ‘ontwikkeling’ te kenschetsen als een apart domein? Zodra je de vraag eenmaal hebt gezien, wordt duidelijk dat de gevestigde theorie over ‘Kwaliteit van Bestaan’ iets statisch heeft. Ze lijkt te zeggen dat je voor de verschillende domeinen kunt beschrijven wat men in een bepaalde samenleving, of in een bepaald zorgsysteem, aan kwaliteit van bestaan heeft gerealiseerd, zonder daarbij te vragen naar de innerlijke krachten van de betrokken personen.

De betekenis van de antroposofische visie op goede zorg, wil ik maar zeggen, vereist niet dat je daarvoor iets expliciet ‘antroposofisch’ definieert. Je kunt volstaan met vragen stellen bij datgene wat in de zorg algemeen wordt aanvaard. Hoe beter je dat doet, hoe groter de impact van deze visie op het algemene begrip van ‘Kwaliteit van Bestaan’, ook al wordt die visie niet als zodanig gearticuleerd.

Hans Reinders

Oktobernieuwsbrief lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg


Op 4 oktober verscheen de tiende Nieuwsbrief van het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg, met daarin veel wetenswaardig nieuws. Een greep:

‘Stand van zaken RAAK-project “In Verbinding”

In het project “In Verbinding” worden, in samenwerking met zorgverleners in de antroposofische zorg, zorgprogramma's ontwikkeld voor de eerste lijn en een manier om de uitvoering van zo’n zorgprogramma te monitoren. De stand van zaken eind augustus. Lees verder

Promotietrajecten

Het lectoraat heeft enkele promotietrajecten in voorbereiding, om de “verwetenschappelijking” van de AG een stevige impuls te geven. Voor de volgende promotietrajecten zijn de onderzoeksplannen gereed: Methodisch gebruik van kleur in de Kunstzinnige therapie, Documentatiemethoden van de kunstzinnige therapie en Patiëntcompetentie. Lees verder

International Research Newsletter

Het lectoraat heeft het initiatief genomen om een internationale Nieuwsbrief over internationaal onderzoek in de Antroposofische Gezondheidzorg en gerelateerde onderwerpen te maken. Lees verder

Verdediging proefschrift Erik Baars

Op vrijdag 18 november om 13.30 uur zal Erik Baars zijn proefschrift “Evidence-based curative health promotion. A systems biology-orientated treatment of seasonal allergic rhinitis with Citrus/Cydonia comp.” verdedigen. Lees verder

Overig kort nieuws

Nieuwe publicaties
Afronding 1ste fase onderzoek euritmietherapie en hooikoorts
Afronding 1ste fase onderzoek uitwendige therapieën
ZonMW en CAM onderzoek
NCCAM strategisch beleidsplan
– Het lectoraat AG is nu ook op Twitter te volgen.
Internationale onderzoeksgroep antroposofische therapieën
Het gezondheidsconcept is wetenschappelijk in beweging

Agenda

7-9 oktober: 3 mondelinge en 4 posterpresentaties op het 4de European Congress for Integrative Medicine (ECIM) 2011 te Berlijn
29 oktober: lezing Erik Baars symposium AViN afdeling Leiden
3 november: lezing Erik Baars FVB Studiedag Vaktherapie in Zicht
18 november: verdediging proefschrift Erik Baars, Wageningen Universiteit
1-2 december: Joop Hoekman (voorzitter symposium “Onderzoek in de gehandicaptenzorg”) en Erik Baars (lezing) Congres Focus op Onderzoek VGZ (kennisplein gehandicaptenzorg/ ZonMw)
9 december: symposium lectoraat AG
8-10 maart 2012: Internationale wetenschappelijke conferentie Antroposofische Gezondheidszorg in Berlijn’

Documenteren van kunstzinnige therapie


Op de website van het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg aan Hogeschool Leiden is het volgende bericht over ‘Documentatiemethoden van de Kunstzinnige Therapie’ geplaatst:

‘Binnen de ontwikkeling van Evidence Based Medicine wordt ook van de kunstzinnige therapie verwacht dat zij de therapeutische processen op kwaliteit, veiligheid, en (kosten)effecten monitort. Om het bestaansrecht van de kunstzinnige therapie te behouden en te verbreden is het nodig om zowel therapie-effecten (“dat het werkt”) als therapie-rationale (“hoe het werkt”) voor te leggen aan diverse stakeholders.

Onder de stakeholders (verzekeraars, zorgmanagers, collega’s, cliënten, beleidmakers, etc.) heerst nog veel onbekendheid met kunstzinnige therapie. Verdere professionalisering van de kunstzinnige therapie wordt ondersteund door het kunnen aanleveren van de juiste informatie aan elke stakeholder.

Voor het aantonen van de effectiviteit is het nodig om zoveel mogelijk gegevens (data) te verzamelen van de gegeven therapieën. Dit kan onder meer door middel van het gestructureerd documenteren van cases.

Kunstzinnig therapeuten houden in meer of mindere mate een dossier bij per cliënt. Het is echter onduidelijk of dit op een uniforme wijze gebeurt, of dit gebeurt volgens een getoetste methode en of met de vastgelegde informatie alle verschillende stakeholders op de juiste manier bediend worden. Gebaseerd op oriënterend onderzoek, o.a. in Duitsland uitgevoerd (Sinapius, 2007), wordt momenteel aangenomen dat dit alles niet voldoende van toepassing is.

Onderzoek naar verschillende documentatiemethoden

Na afstemming met de NVKToag [de Nederlandse Vereniging voor Kunstzinnige Therapie op antroposofische grondslag, red.], is bij het lectoraat, in samenwerking met Ottersberg Hochschule en de Alanus Hochschule, een project gestart waarin onderzoek wordt gedaan naar de documentatiemethoden die in de kunstzinnige therapie gebruikt worden.

Met documentatiemethoden wordt bedoeld: de manier waarop de therapeut verschillende aspecten van de cliënt en de therapie bijhoudt. Dossiervorming en casusbeschrijving zijn andere verwante benamingen.

Een deel van het onderzoek richt zich op het in kaart brengen van wat er al is aan documentatiemethoden en wat er gebruikt wordt: door kunstzinnig therapeuten in Nederland, in het buitenland en door aanverwante beroepen zoals de vaktherapie.

Het andere deel van het onderzoek richt zich op de zogenaamde stakeholders: de partijen die belang hebben bij documentatie van de therapie. Dat zijn bijvoorbeeld collega-therapeuten, verwijzende artsen, verzekeraars, beleidsmakers, patiënten en KT docenten- en studenten. Aan deze partijen wordt gevraagd welke informatie over de therapie zij nodig hebben en in welke vorm.

De eerste stappen van dit onderzoek zijn inmiddels gezet: door middel van een online-enquête onder de leden van de NVKToag is onderzocht wat kunstzinnig therapeuten documenteren, hoe ze dat doen, voor wie ze dat doen en met welke doelen.

De enquête is inmiddels afgerond en de resultaten worden momenteel verwerkt. Ruim 75 kunstzinnig therapeuten hebben deelnomen en een aantal therapeuten hebben zelfs hun eigen formulieren – die zij gebruiken voor therapiedocumentatie – opgestuurd naar de onderzoeker, wat een goede bijdrage aan het onderzoek zal leveren.

De uitkomsten van dit onderzoek vormen uitgangspunten voor een promotietraject rondom dit thema.’

woensdag 25 mei 2011

Pim Blomaard over zijn onderzoek naar de zorgrelatie


‘Hoe beter je weet hoe het met jezelf gaat, hoe beter je kunt hanteren hoe het met de ander gaat’

Jan Verweij

Op 6 december verdedigde Pim Blomaard , lid van de Raad van Bestuur van de Raphaëlstichting en bestuurslid van de NVAZ, aan de Vrije Universiteit in Amsterdam zijn proefschrift over de persoonlijke relatie als kern van de begeleiding van mensen met een verstandelijke beperking. De dissertatie werd begeleid door Prof.dr. Hans Reinders, hoogleraar ethiek aan de faculteit der Godgeleerdheid en als bijzonder hoogleraar houder van de Bernard Lievegoed leerstoel.

Een gesprek over deugden, innerlijke kwaliteit en wederkerigheid in de zorgrelatie. ‘Wil je de relatie met de ander verzorgen, dan is een belangrijke voorwaarde dat je de relatie met jezelf verzorgt. Die koppeling is denk ik veel sterker dan we hem vaak zien.’


Hoe is de onderwerpkeuze tot stand gekomen?

Pim Blomaard: ‘Ik was wel benieuwd naar de antroposofische visie op de zorgrelatie. Ik wilde dat aanvankelijk uitwerken door me helemaal historisch te verdiepen in Steiner. Het heeft zich verbreed naar de zorgrelatie in het algemeen. Mijn persoonlijk motivatie is ook dat je – als je spreekt over ‘de zorg’ – in een soort basisdiscussie belandt die je overal tegenkomt. Namelijk of je iets uiterlijk of innerlijk benadert. Dat geldt ook voor kwaliteit. Je kunt kwaliteit uiterlijk benaderen door te kijken: is je zorgplan op orde, doe je wat erin staat? Maar of dat nou betekent of de persoon in kwestie geholpen is of een ontwikkeling doormaakt... dat is nog maar helemaal de vraag.

Bij innerlijke kwaliteit vraag je jezelf af: sluit je echt aan, komt de persoon echt verder in wat hij wil zijn? En dat geldt ook voor het thema relatie. Heb je ook innerlijk respect voor de persoon die je begeleidt; neem je de persoon altijd in zijn waardigheid ‘mee’? Daar moet je iets voor doen, daar heb je iets voor nodig. Filosofisch gesproken is de vraag: kun je ander mens (zoals jij hem ziet) überhaupt nabij komen? De huidige filosofie zegt: de andere mens bestaat niet; hij is alleen maar een projectie van jezelf; een geconstrueerd beeld.

In de antroposofie leeft het ideaal dat je wel degelijk dichter bij de ander kan komen. Je hebt bijvoorbeeld het ‘inlevend waarnemen’ van Albert de Vries. Wat ik beschrijf in mijn proefschrift is, dat door te oefenen aan reflectie, maar ook aan onbevangenheid en empathie, je stappen kunt zetten om die ander te naderen. Wil je dat kunnen, dan moet je heel erg veel in jezelf doen; je moet op een bepaalde manier aan jezelf werken om de ander toegankelijk te maken. Dat is eigenlijk heel vreemd. Wil je de relatie met de ander verzorgen, dan is een belangrijke voorwaarde dat je de relatie met jezelf verzorgt. Die koppeling is denk ik veel sterker dan we hem vaak zien.’

En hoe zou je dat kunnen doen?

Bijvoorbeeld door te reflecteren. Het raadsel waar je mee te maken hebt (wie is de ander? kan ik daarbij?) die spiegelt met de vraag: kan ik bij mezelf? heb ik wel een beeld van mezelf? hoe weet ik nou wie ik zelf ben? Dat begint al met de vraag: hoe kan ik überhaupt mezelf sturen? Hoe meer je weet hoe het met jezelf gaat, hoe meer je bewust kunt hanteren hoe het met de ander gaat.

In de literatuur wordt er in de laatste 20 jaar steeds meer aandacht aan besteed. Kijk bijvoorbeeld naar de begrippen zelfmanagement, geweldloze communicatie, validation, inlevend waarnemen, gentle teaching, enz. Je moet heel erg goed leren waarnemen om te voorkomen dat je steeds jezelf blijft zien. In de literatuur heet dat ‘de terreur van hetzelfde’. Je komt overal jezelf tegen. De vraag is dan: hoe leer je jezelf terug te houden?

Dat ‘zelfmanagement’ leeft nu enorm. Er zijn allerlei manieren om daarmee aan de slag te gaan. In het kader hiervan wijs ik in mijn proefschrift op een aantal deugden en vermogens: eerbied, onbevangenheid, gelijkmoedigheid en verantwoordelijkheid. Van deugden – misschien is ‘eigenschap’ of ‘houding’ een beter woord - kun je nooit genoeg hebben. Iedereen heeft ze, maar je kan ze versterken of je kan ze verzwakken. Aristoteles zei al: als je ze niet oefent, dan verzwakken ze. Als je er geen aandacht aan besteed, dan raak je ze langzamerhand kwijt.

Kun je een voorbeeld noemen?

Neem: gelijkmoedigheid. Iedereen kent het dat je door een gebeurtenis van de rel bent waardoor je enige tijd niet in staat bent om gewoon te functioneren. Stel even ... agressie: iemand is abnormaal agressief. Dat heeft enorme impact op je gevoel. De kunst is dus om het gedrag wat iemand vertoont ook nuchter te kunnen zien in wat het is. Dat betekent niet dat je die gevoelens moet wegpoetsen, maar dat je ook moet proberen te kijken in wat er zich aan je voordoet. Belangrijk is om een inspanning te doen om het ook helemaal objectief te bekijken.

Hoe doe je dat?

‘Eén van de dingen is om te reflecteren als je een aanvaring hebt gehad. En daarbij ook naar jezelf te durven kijken en je vragen te stellen als: wat gebeurde er in mij, waardoor werd ik zo boos? Wat zei iemand nou precies, waar stond diegene toen?, enz. En je vervolgens dan iets voor te nemen. Feitelijk doet iedereen dat al op zijn of haar manier. Bijvoorbeeld door het verhaal thuis te vertellen of aan collega’s of door intervisie. Maar ik zou willen oproepen om daar nog meer bij stil te staan en om die reflectie meer tot vaardigheid te maken.

Door hier aan te werken, werk je aan je persoonlijk leiderschap en ‘doe’ je aan zelfmanagement. Dit sluit ook erg aan op het meerjarenbeleidsplan waarin een oproep wordt gedaan om van de Raphaëlstichting een lerende organisatie te maken en te werken aan ‘persoonlijk leiderschap’.

Waar werd je tijdens je onderzoek enthousiast over?

De symmetrie in de relatie. Bijvoorbeeld: je wilt iemand wassen. Het doel in het aankleden is dat je iemand tot zelfsturing brengt (ik noem dat dan ‘tegenwoordigheid van geest’). Als het er alleen maar om gaat dat iemand ondersteund wordt, dan ben je met aankleden klaar. Maar op de achtergrond van de zorgverlening staat: hoe kan iemand zijn leven als individu ter hand nemen? Een heel hoog doel voor jezelf, maar zeker ook voor iemand die gehandicapt is. Toch kun je voor elke handeling die je in de zorg verricht, de vraag stellen: maak ik de ander sterk? En dat sterker maken vul ik dan in met ‘tegenwoordigheid van geest’, omdat daar het ‘ik’ een belangrijke rol speelt. Om dat te kunnen moet ik het zelf inzetten. Wat ik beoog voor de ander, beoog ik ook voor mezelf. Om de ander goed te helpen moet ik ook meer bij mezelf komen, anders ben ik alleen maar mijn gewoontes aan het volgen. De routine, de protocollen.

Dat vond ik wel een vondst: in het werk kun je die gelijkwaardigheid heel sterk maken als je dit bewust wordt. Dat wat je beoogt voor de ander is hetzelfde als wat je moet inzetten.

Wat voor reacties heb je gehad?

‘Er kwamen veel positieve reacties op het ‘lekenpraatje’ dat ik aan het begin van mijn verdediging hield. Men was enthousiast dat het onderwerp zo’n aandacht heeft gekregen. Ook in de reguliere zorg begint het idee steeds meer te leven dat men de zorg als contractuele dienstverlening vanuit professionele protocollen (de uiterlijke kwaliteit dus) te eenzijdig vindt en dat er grote behoefte bestaat ook die innerlijke kant te horen. Dat is een verheugend feit; daar sluit mijn proefschrift bij aan.’


Uit het zogeheten ‘lekenpraatje’ aan het begin van de verdediging van het proefschrift:

– de reflectie van de begeleider die zichzelf ontdekt
– de beroepshouding van eerbied, openheid, nuchterheid en verantwoordelijkheid
– de intentie bij te dragen aan de individualisering van de ander
– de zelfopvoeding door de begeleider die zijn grenzen bewaakt
– de verantwoordelijkheid voor de situatie door aan te sluiten bij de werkelijkheid van dat moment’


Bernard Lievegoed leersstoel

De Bernard Lievegoed leerstoel is in 2005 ingesteld en in 2010 verlengd door de NVAZ (Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders) om het denken over kwaliteit en professionaliteit in de zorg te bevorderen en de antroposofische visie daarop in de maatschappij een grotere rol te laten spelen. De leerstoel wordt bekleed door Prof. dr. Hans Reinders.

Het onderzoek naar kwaliteit heeft al geresulteerd in het boek ‘De Kunst van het zorgen’ (van Karen Wuertz en Hans Reinders). En ook in een onderzoek dat momenteel op Breidablick gaande is over hoe de kwaliteit op een andere manier kan worden beoordeeld, namelijk dichter op de interactie en de relatie tussen bewoner en medewerker in het dagelijkse leven.


Fotografie: Jan Verweij

Overgenomen uit Kristallijn, nieuwsblad voor medewerkers en belangstellenden van de Raphaëlstichting, nummer 13 van april 2011

De schaal van Boelhouwer


Een column van Hans Reinders

Evenals de meeste Nederlanders zult u ook wel denken dat de kwaliteit van leven van een hoogleraar bovengemiddeld is. Zelf was ik althans overtuigd van het feit dat ik tot een bevoorrechte klasse behoor. Natuurlijk, ook in het privéleven van een hoogleraar kan van alles misgaan, maar qua omstandigheden hebben professoren het niet slecht getroffen. Dat dacht ik tenminste, maar dat blijkt in mijn geval dus anders te liggen.

Hoe ik hierbij kom? Wel, ik heb even de test gedaan van het Sociaal Cultureel Planbureau om mijn objectieve kwaliteit van leven te meten. Kunt u ook doen. Ga even kijken op de SCP-site (www.scp.nl/leefsituatie) en u treft daar een vragenlijst aan, die u binnen enkele minuten heeft ingevuld. Na de laatste vraag te hebben beantwoord, klikt u op de knop ‘bereken mijn leefsituatie’, waarna er een teller op uw scherm verschijnt die uw score berekent. Bij mij bleef hij staan op een schamele 102.

‘102 wat?’ beet ik mijn pc toe. Gaat het over wind dan is de meeteenheid ‘Beaufort’; bij temperatuur is het ‘Celsius’ of ‘Fahrenheit’ en bij een aardbeving ‘Richter’. Maar wat is de meeteenheid voor onze objectieve kwaliteit van leven? Is daaraan ook een naam verbonden van iemand die de standaardtest heeft bedacht? De webpagina van het SCP gaf mij geen antwoord op deze vraag. Het enige dat werd vermeld was dat ik me voor vragen kon wenden tot ene Jeroen Boelhouwer.

Mijn score van 102 bleek 3 punten lager te zijn dan die van de gemiddelde Nederlander want die bedraagt 105 op de schaal van Boelhouwer, wat volgens de SCP-site betekent dat 36% van mijn landgenoten een lagere kwaliteit van leven heeft dan ik. Op zichzelf leek me dat nog wel aanvaardbaar, tot ik me realiseerde dat maar liefst 64% in betere leefomstandigheden verkeert! Een pijnlijke gewaarwording, aangezien ik me altijd gekoesterd heb in het feit dat ‘hoogleraar’ evenals ‘rechter’ tot de top vijf behoort van maatschappelijke posities die aanzien genieten.

Wat is de verklaring voor mijn tegenvallende score van 102 ‘Boelhouwers’? ‘Het salaris van hoogleraren dat niet in verhouding staat tot het aanzien dat ze genieten,’ mopperde ik tegen mijn pc. Maar dit klopte niet want – merkwaardig genoeg – was inkomen geen item op de SCP-vragenlijst. Wat dan wel? Wel, ik heb geen eigen huis en doe ook niet aan hobby’s en sport. Tenminste niet als het gaat om activiteiten die met enige regelmaat – laten we zeggen een keer in de maand – worden ondernomen. Hier staat tegenover dat ik werk, veel en hard, maar dat blijkt niet te helpen voor mijn score want ook werk is geen item op de lijst.

Gelukkig heb ik wel een auto, een dvd-speler en een magnetron, maar die hebben andere Nederlanders kennelijk ook want die blijken ook niet het verschil te maken. Het zal dus wel gaan om het feit dat mijn leefsituatie grotendeels door ‘werk’ wordt bepaald. Wat mij betreft helemaal OK, maar zo niet in de ogen van de Boelhouwers van het SCP.

Hans Reinders

Nieuws van het Lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg


Positieve externe evaluatie lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg

Op 10 februari 2011 vond een externe evaluatie van het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg aan Hogeschool Leiden plaats. Een onafhankelijke evaluatiecommissie sprak met diverse betrokkenen bij het lectoraat. Deze evaluatie heeft een positief resultaat opgeleverd. Leden van het College van Bestuur, het management van Hogeschool Leiden, stakeholders van het lectoraat, docenten, kenniskring, beleidsadviesgroep, directeur Cluster Zorg en de lector waren gesprekspartner van de evaluatiecommissie. Deze commissie was aangesteld door het College van Bestuur van Hogeschool Leiden.

De samenvatting van de bevindingen van de commissie kunt u lezen aan de hand van een zevental evaluatievragen. Het gehele evaluatierapport is te downloaden op de website van de VKO (Validatiecommissie Kwaliteitszorg Onderzoek).

Bron: http://www.hsleiden.nl/lectoraten/antroposofische-gezondheidszorg/evaluatie-ag-positief


RAAK project ‘In Verbinding’ toegekend en van start

De Stichting Innovatie Alliantie (SIA) kent jaarlijks projectgelden toe aan projecten die de kenniscirculatie tussen regionale partijen bevorderen, in het bijzonder tussen kennisinstellingen als hogescholen, het MKB en publieke instellingen. Half december 2010 werd bekend dat voor 2011-2012 aan een projectvoorstel van het Lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg financiën zijn toegekend.

In het project ‘In Verbinding’ worden in samenwerking met zorgverleners in de antroposofische zorg vier zorgprogramma’s ontwikkeld, evenals een manier om de uitvoering van zo’n zorgprogramma te monitoren. Het gaat om zorgprogramma’s voor de aanpak in de eerste lijn van depressie, hechtingsstoornissen, hooikoorts en kanker. De samenwerkingspartners in dit project zijn: vier Therapeutica, de NVAZ als bundeling van beroepsgroepen en Hogeschool Leiden, die als penvoerder optreedt.

Het doel van het project is om vernieuwende, op antroposofie gebaseerde behandelmethodes voor de eerstelijnsgezondheidszorg te ontwikkelen. Maar ook om een kennisnetwerk op te bouwen tussen onderzoekers, docenten en studenten van Hogeschool Leiden, professionals en stakeholders die zich bezighouden met zorgverlening op antroposofische grondslag.

Meegewerkt wordt door Antroposofisch Therapeuticum Leiden, Therapeuticum Aurum in Zoetermeer, Therapeuticum Calendula in Gouda en Therapeuticum Haarlem.

Bron: http://www.hsleiden.nl/lectoraten/antroposofische-gezondheidszorg/project-raak-van-start


Ontwikkeling Zorgprogramma Depressieve klachten

Het opzetten van het antroposofische zorgprogramma depressieve klachten is in volle gang. Allereerst is er contact met verschillende huisartsen geweest, die tijdens interviews vertelden welke zorg patiënten met depressieve klachten in een antroposofisch therapeuticum krijgen. Helder werd dat de NHG zorgstandaard ‘depressie’ de basis vormt voor het handelen van een antroposofisch huisarts en dat daarnaast aanvullende therapievormen ingezet worden. Vooral antroposofische medicatie, inwrijvingen en wikkels, euritmie, kunstzinnige therapie beeldend en muziek, fysiotherapie en psychosociale zorg werden genoemd.

De interviews die in samenwerking met het Werkveldteam GGZ van Hogeschool Leiden met kunstzinnig therapeuten zijn gevoerd, hebben geresulteerd in een lijst behandeldoelen en, per behandeldoel, een overzicht van behandelroutes. Op soortgelijke wijze zijn gesprekken met euritmisten gaande en zullen binnenkort gesprekken met diëtisten, verpleegkundigen, euritmietherapeuten, fysiotherapeuten, kunstzinnige muziektherapeuten en eerstelijnspsychologen volgen. Bedoeling is om tot de vaststelling van behandeldoelen te komen om zo de link tussen huisarts en therapeut te verhelderen. De meer inhoudelijke beschrijving van de behandelroutes, die tot het behandeldoel kunnen leiden, zijn vooral voor de verschillende beroepsgroepen interessant. Parallel aan deze expertinterviews wordt er in de werkgroep ‘depressie’, bestaande uit alle medewerkers van het Therapeuticum Haarlem, naar samenhang van het gehele zorgprogramma depressie gekeken. Ten slotte wordt, in samenwerking met het Therapeuticum Haarlem, gestart met het bijhouden van gegevens van patiënten met depressieve klachten om het concept zorgprogramma depressie te toetsen aan de praktijk: is de geleverde zorg effectief (minder klachten en kosten)? En meer inhoudelijk: welke zorg wordt er aan welke patiënt geleverd en met welke reden?

De fasering van het RAAK-project

Fase 1 (jan-juli 2011): conceptzorgprogramma’s maken en ontwerpregistratiesysteem.

In deze fase worden door alle partijen (onderzoekers, artsen, therapeuten en verpleegkundigen, docenten en studenten, adviseurs) optimale zorgprogramma’s ontwikkeld waarin de antroposofische diagnostiek en therapieën voor patienten met depressieve klachten, hechtingsstoornissen, hooikoorts, kanker en zo goed mogelijk tot hun recht komen. Daarnaast wordt een registratiesysteem bruikbaar voor alle vier zorgprogramma’s ontwikkeld waarin patiënten, artsen en paramedici hun gegevens kunnen registreren voor onderzoeksdoeleinden.

Fase 2 (augustus 2011-augustus 2012): toetsen concept-zorgprogramma’s en ontwerp-registratiesysteem.

In deze fase worden de zorgprogramma’s en het registratiesysteem in de praktijk geïmplementeerd in de zorgpraktijken. Op basis hiervan kan onder meer in kaart gebracht volgens welke zorgpaden patiënten behandeld worden en met welke effecten.

Fase 3 (september-december 2012): evaluatie en implementatie.

Na een jaar van praktijkonderzoek wordt de balans opgemaakt en zullen we de zorgprogramma’s en het registratiesysteem evalueren. Daar waar nodig worden ze aangepast, zodat ze in een verbeterde eindversie verder geïmplementeerd kunnen worden in de zorgpraktijk.

Bron: Nieuwsbrief In Verbinding mei 2011, zie http://www.hsleiden.nl/lectoraten/antroposofische-gezondheidszorg/nieuwsbrieven


Nieuwe medewerkers lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg

Op 1 maart heeft het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg afscheid genomen van Drs. Annerose Kunenborg, die sinds enkele jaren als freelance arts-onderzoeker aan het lectoraat was verbonden. Sinds 1 maart en 1 mei versterken Drs. Esther Kuipers en Dr. Joop Hoekman het lectoraat als respectievelijk arts-onderzoeker en associate lector Antroposofische Gezondheidszorg.

Bron: http://www.hsleiden.nl/lectoraten/antroposofische-gezondheidszorg/nieuwe-medewerkers


Project CQI Antroposofische Gezondheidszorg

Vorig jaar is het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg van start gegaan met de steekproeven ten behoeve van het CQI-onderzoek. Aan de hand van een nieuw ontwikkelde CQI-vragenlijst worden klantervaringen in de antroposofische gezondheidszorg in kaart worden gebracht. Helaas hebben deze steekproeven te weinig respons opgeleverd. Daarom is in maart in de meeste deelnemende huisartsenpraktijken gestart met aanvullende steekproeven.

De teller staat nu op iets meer dan 1800 ingevulde vragenlijsten, dus nog een kleine 200 te gaan! Ook doet een nieuwe praktijk mee, te weten therapeuticum Mercuur in Eindhoven. Eind april verwacht het lectoraat voldoende respons te hebben voor de analyse en rapportage. Eind juni wordt het onderzoeksrapport verwacht. Na goedkeuring door het Centrum Klantervaring Zorg zal de vragenlijst dan ter beschikking komen.

Bron: http://www.hsleiden.nl/lectoraten/antroposofische-gezondheidszorg/project-cqi


Project ‘ROM’-GGZ

Stichting Urtica-De Vijfsprong, een therapeutische werk- en leefgemeenschap te Vorden, neemt deel aan de ‘Routine Outcome Monitoring’-pilot van GGNet.

Routine Outcome Monitoring (ROM) is een methode om de resultaten van behandeling in de GGZ inzichtelijk te maken. Hierbij wordt systematisch de psychische gesteldheid van cliënten voor en na de behandeling gemeten. Het was echter nog niet mogelijk om de specifieke antroposofische aspecten van zorg te meten.

Het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg heeft hiervoor, in opdracht van Stichting Urtica, een aanvullende vragenlijst ontwikkeld. De vragenlijst is gebaseerd op inbreng van experts (behandelaren en zorgcoördinatoren van Stichting Urtica - De Vijfsprong en de Lievegoed Zorggroep) en baseert zich daarnaast op bestaande vragenlijsten, zoals de CQI-AG. De vragenlijst is inmiddels kleinschalig in de praktijk getest op bruikbaarheid. Momenteel wordt de vragenlijst overgedragen aan GGNet, die deze zal opnemen in de ROM-programmatuur.

Bron: http://www.hsleiden.nl/lectoraten/antroposofische-gezondheidszorg/project-rom-ggz

vrijdag 11 februari 2011

De wandeling van Erik Baars en Hans Reinders


Linda te Wierike (projectmedewerker NVAZ)

Het artikel in de vorige Digitale Verbreding over Hans Reinders (hoogleraar ethiek en tevens bijzonder hoogleraar van de Vrije Universiteit Amsterdam) en Erik Baars (arts-epidemioloog en lector antroposofische gezondheidszorg aan de Hogeschool Leiden) eindigde met de opmerking dat wederzijdse ontmoeting en samenwerking zijn vruchten zal afwerpen voor de zichtbaarheid en ontwikkeling van de antroposofische gezondheidszorg. Dit gezamenlijke interview over hun nieuwe onderzoeksperiode is het vervolg hierop.

Op de 13e verdieping van de Vrije Universiteit Amsterdam bevindt zich de kamer van Hans Reinders, een ruimte waarin één van de lange wanden totaal bedekt is met boeken. Dit is te verwachten bij een lettervreter, zoals hij zichzelf later noemt. Het wachten is nog even op Erik Baars, maar die komt al gauw enthousiast binnen en neemt plaats met in zijn hand de lijst met interviewvragen. Een van de onderwerpen is wat er de komende jaren op de onderzoeksagenda staat. Toch is het aardig om bij het begin te beginnen en eens te vragen naar het moment waarop onderzoek een rol ging spelen in hun leven.

Hans Reinders: ‘De eerste keer dat ik het gevoel had daar mee bezig te zijn, was toen ik de scriptie voor het vak Oude Testament maakte. Hier stuitte ik op een merkwaardig woordgebruik en ben dat toen grondig gaan uitzoeken. Lettervreter als ik ben, heb ik tijdens mijn studie theologie ook nog twee jaar Semitische talen gestudeerd, Jiddisch, Talmoed, Hebreeuws, allemaal talen die je nodig hebt om in relatie tot het Oude Testament en de joodse traditie te kunnen onderzoeken. Maar uiteindelijk werd het toch een ander vak in de theologie. Bij systematische theologie werd ik student-assistent en daar heb ik het onderzoeken geleerd door in de keuken te kijken. Dit was tevens de entree op mijn wetenschappelijke loopbaan.’

Erik Baars: ‘Rond mijn negende wist al dat ik dokter wilde worden. In de puberteit was ik altijd al bezig met hoe de wereld en de dingen in elkaar zitten. Rond m’n 25e ging ik een reis maken en met een aantal antroposofische boeken in mijn koffer bedacht ik mij dat ik iets met antroposofie en antroposofische geneeskunde wilde doen als ik terug was. Ik werd toen door mijn broer gevraagd om stage te komen lopen bij het Louis Bolk Instituut. Daar ben ik anderhalf jaar geweest en kwam daar in aanraking met onderzoek. Het mooie aan onderzoek is dat je iets kunt communiceren en kwaliteitverbetering teweeg kunt brengen. Je laat mensen uitwisselen over hun ervaringen, bundelt deze en systematiseert. Daarmee kun je iets goeds voor de antroposofische gezondheidszorg doen, waardoor het bijvoorbeeld geaccepteerd wordt. Dat komt uiteindelijk de patiënt weer ten goede en daar doen we het voor. Binnen al deze werkzaamheden is de antroposofie voor mij de grootste inspiratiebron. Ik denk dat wij een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de gezondheidszorg, maar het realiseren hiervan staat allemaal nog enorm in de kinderschoenen. In deze tijd help ik graag om dat verantwoord voor elkaar te krijgen.’

Hans Reinders legt het mooie van onderzoek als volgt uit.

‘Een heldere onderscheiding, dus: wat hoort bij wat? Ik wil weten wat mensen bedoelen; wat ze in hun hoofd hebben als ze welke taal gebruiken. Goed onderzoek doen betekent je begrippen goed op scherp zetten. Het is in feite weinig anders dan de indrukken die je hebt van de wereld te helpen ordenen. En als je heldere beschrijvingen maakt en vragen stelt die kloppen, dan heb je geen ingewikkelde zinnen nodig – daar houd ik van. Wat mij hierbij inspireert is niet zozeer iets of iemand. Maar waardoor ik telkens weer zin heb om een volgende stap te zetten, is dat ik merk dat wat ik zeg de mensen helpt om na te denken. Ze zeggen altijd dat ik ze weer erg aan het denken heb gezet. Dat komt denk ik voor een deel door dat ordenen.’

Erik Baars: ‘Deze manier van naar onderzoek kijken herken ik wel. Ik ga uit van de driehoek wetenschap, theorievorming en methodologie. Dit heeft een conceptuele kant en ik redeneer graag. Bijvoorbeeld over vragen als: wat is holisme en wat is reductionisme? Wat is gezondheid en hoe bevorder je die? Daar horen argumenten bij en ook een heel empirische kant, het toetsen van hypothesen. Het gaat erom een goed concept te ontwikkelen dat innerlijk consistent is, dat aansluit bij andere theorieën en dat in overeenstemming is met de empirische feiten. Dat is wat Hans ontzettend goed beschrijft.’

Hans Reinders: ‘Ik wil daar graag aan toevoegen dat ik soms antroposofen hoor praten die ik totaal niet begrijp. Dat heb ik bij Erik totaal niet, want hij redeneert altijd. Voor iemand als ik is dat prettig. Ik ben nooit zo bezig met theorievorming en het valideren daarvan. In de geesteswetenschappen vind ik het begrip theorie niet erg functioneel. Het suggereert een stand van wetenschap waarin we sommige vragen niet meer stellen, want die zijn opgelost. Als dat een adequaat beeld zou zijn, zouden we in de theologie en de filosofie veel verder moeten zijn dan een paar honderd jaar geleden. Dat zie ik niet zo. Het gaat nog altijd om dezelfde vragen. We stellen ze alleen in een andere context.’

Erik Baars: ‘Daar ligt ook het punt waarop wij elkaar kunnen vinden of aanvullen. Als er zoiets bestaat als het etherische of het astrale, dan moet je daar een concept van kunnen maken en dit kunnen beredeneren. Het komt aan op de nauwkeurigheid van de conceptontwikkeling en de wetenschappelijke benadering. Dit betreft bijvoorbeeld ook de betekenis van kwaliteit als we kijken naar een individu in relatie tot de zorgprofessional. In het lectoraat willen we op professionele wijze zichtbaar maken hoe in de antroposofische gezondheidszorg gewerkt wordt en dit zoveel mogelijk intact laten. Die richting zie ik bij Hans ook, alleen gaat hij daar nog verder in en is hij nog specifieker georiënteerd op dit onderdeel van de kwaliteit van de cliënt-zorgprofessional interactie. Op dit vlak doen we verschillende dingen, maar onder de grote noemer hebben we elkaar wat te bieden.’

Hans Reinders: ‘Dat klopt. Wat wij nu met de Lievegoed leerstoel aan het doen zijn met het onderzoek “beelden van kwaliteit”, is de aandacht richten op de wederkerige verbinding. Dus de persoon met een beperking en zijn begeleider. Als je daar naar kijkt zie je heel concrete aspecten van kwaliteit in de ervaringen van de mensen om wie het gaat. Er zit een focus in, die kijkt naar kwaliteit van bestaan als iets van een individu, niet van een groep of een cohort. Dat gaat in de richting van individualisering, maar dan meer als een prisma. Daardoor krijgen we veel concretere informatie over kwaliteit dan wordt verkregen door de nu gehanteerde meetinstrumenten. Kwantificering is altijd abstractie van de concrete betekenis van ervaring.’

Hier ontvouwt zich een onderscheidende manier van werken en daarmee ontstaat de vraag of het verschil te vangen is in de begrippen kwalitatief en kwantitatief onderzoek. Dit blijkt echter wat genuanceerder te liggen.

Hans Reinders: ‘Voor zover ik zie is Erik geïnteresseerd in de werkzaamheid van dingen. Dat is niet mijn eerste punt van evaluatie. Ik kijk naar wat mensen met elkaar doen. Als je de bijdrage van de antroposofische zorg laat lopen via de vraag “Wat is de opbrengst wanneer je deze therapie toepast of die?”, dan wil je iets anders weten dan waar wij mee bezig zijn. Het gaat mij om proces, niet om uitkomst. Er is wel een relatie tussen die twee, maar ik zoek niet naar een manier om die relatie te kunnen vastleggen.’

Erik Baars: ‘Voor de relatieve buitenstaander is kwantitatief en kwalitatief een mooi onderscheid. Maar naarmate je meer begrijpt, dan zie je dat het kwalitatieve onderzoek gaat over: wat is er eigenlijk allemaal? Daarop kun je aansluiten met kwantitatief onderzoek. Zo kun je in kaart brengen in welke mate een organisatie individugeoriënteerd werkt en de mate waarin kun je proberen getalsmatig uit te drukken in een getal tussen 1 (helemaal niet) en 10 (optimaal). Dat is een meting die heel wat anders laat zien dan het meten van de bloeddruk of het aantal rode bloedcellen. Hier zie je dat je het kwantitatieve kunt aansluiten bij het kwalitatieve. Dus als Hans het heeft over een goede, optimale relatie tussen cliënt en zijn zorgverlener, dan kun je ook spreken over een heel slechte. Je kunt hier gaan kwantificeren en kijken of je daar met mensen consensus over kunt krijgen. Het is niet in eerste instantie waar Hans naar toewerkt, maar wat wel degelijk zou kunnen.’

Hans Reinders: ‘Als het gaat om de wederkerigheid van een zorgrelatie, dan moet je eigenlijk niet willen meten, maar ik val Erik bij: het kan in principe wel. Dus is voor mij als iemand van de heldere onderscheiding de vraag: waar zit dan het verschil? Het zit hem in het stellen van de betekenisvraag. Je kunt namelijk niet zien aan de meetresultaten wat die relatie nu precies voor de betrokkenen betekent. In het hele kwaliteitsverhaal is dat een aangelegen kwestie. Met het op tafel leggen van cijfers, die informatie geven over frequentie en distributie, schakel je de vraag uit naar de betekenis van wat mensen drijft en wat ze motiveert. En om als externe instantie de mensen te stimuleren dingen anders te gaan doen, heb je die drijfveer en die motivatie nodig. Wat ik nu probeer te doen is een manier te ontwikkelen van over kwaliteit denken inclusief het verantwoorden daarvan, waardoor de toezichthouders zichzelf niet als een externe instantie zien, maar als deel van het proces en daarmee óók geïnteresseerd zijn in wat mensen drijft. Zo wordt het een samenwerkingverband, veel meer dan een manier van examineren om te kijken of je kandidaten slagen, al dan niet aan de eisen voldoen. Dat is waarom ik denk dat je dit met kwantitatief onderzoek niet goed te pakken krijgt.’

Erik Baars: ‘Hans geeft hier aan: wij exploreren iets en daarin speelt betekenisgeving een belangrijke rol. Als je dat logisch en transparant wilt doen, dan kun je niet alleen met een kwaliteitssysteem werken. Als je het als organisatie van belang vindt om met informatie te werken waarop je kunt sturen, dan zul je de betekenisvraag daarin een plek moeten geven op een manier die verenigbaar is met het kwaliteitssysteem. Kun je aantonen dat dit belangrijk is voor zowel individu als organisatie, dan wordt het veel gemakkelijker om aan de andere kant dingen te doen. Zelf ken ik de betekenisgeving aan de andere kant van het gezondheidsonderzoek. In het hele vraagstuk van salutogenese is meaningfulness een van de belangrijke pilaren. Wat blijkt? Mensen die een hoge “sense of coherence” hebben als individu, hebben zowel een betere psychosociale als fysieke gezondheid. Ook functioneert deze categorie mensen beter in hun arbeidsomstandigheden. Dit is empirisch aangetoond en daarmee is het om allerlei redenen relevant voor de volksgezondheid, en dus voor organisaties die dit willen implementeren. We zitten duidelijk in een soort overgangsfase waarbij druk gezocht wordt naar nieuwe manieren om hierin te handelen zonder de controle los te laten. Ik denk dat Hans heel erg bijdraagt aan het hele denken en de theorievorming daarover, wij doen het vanuit de andere kant en dat heeft ook zijn invloed.’

Dan geeft Hans Reinders een indruk van het onderzoek wat antropologen voor de Bernard Lievegoed leerstoel doen, waarvan ‘De kunst van het zorgen’ dat hij samen met Karen Wuertz schreef een eerste resultaat was. In alle onderzoeksverhalen worden heel concrete ervaringen niet alleen zichtbaat maar ook voelbaar. Behoorlijk schokkende ervaringen, maar ook prachtige dingen en knappe vondsten. Kleine scènes en mooie beelden die laten zien wat bijvoorbeeld mensen met ernstige meervoudige beperkingen en hun begeleiders meemaken. De grootste uitdaging voor dit soort onderzoek – als het gaat om de betekenisgeving – ligt in het vlak van de methodologie, namelijk hoe te verantwoorden dat observeren en “meekijken” betrouwbare informatie oplevert.

Hier haakt Erik Baars op in en noemt ook een voorbeeld van praktijkmethodologie. Het lectoraat heeft onderzoek gedaan bij het Kindertherapeuticum in Zeist waarbij gekeken is naar het methodisch aspect van het tot stand komen van oordeelsvorming. Het is gebleken dat dit daar heel anders plaats vindt dan in een regulier proces, waarbij in de meeste gevallen zeer vroeg in het zorgproces een diagnose wordt gesteld. Bij de antroposofische werkwijze in het Kindertherapeuticum vindt dit moment veel later in het proces plaats. Diverse indrukken spelen een rol, er zijn veel disciplines bij betrokken, om zo uiteindelijk tot een consensus te komen over het zogenaamde beeld van de patiënt. Hieraan wordt ook een andere betekenisgeving verleend, waarmee het therapeutisch traject ook anders wordt. De overeenkomst tussen de twee onderzoekspraktijken is dat in beide situaties verschillende lagen bekeken worden. Wel is het zo dat Erik Baars het antroposofisch inhoudelijke deel hier veel meer in meeneemt.

Hans Reinders bevestigt dit verschil, maar is evengoed geïnteresseerd in wat voor mensen de antroposofie bijzonder maakt. Hij kan globaal twee groepen mensen onderscheiden. De ene groep vindt het eigene van de antroposofie heel belangrijk, de andere groep vindt dat een volstrekt onbelangrijke kwestie, maar is evenzeer een antroposofische overtuiging toegedaan. Of iets antroposofisch is of niet, is volgens sommigen de laatste vraag waar Steiner in geïnteresseerd zou zijn. Praktisch is uiteindelijk van belang hoe dingen in het brede veld hun weg vinden. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de verbindingsfilosofie duidelijk overeenkomt met de wederkerige groei. Reinders ziet veel parallellen tussen reguliere en antroposofische zorg, maar heeft in de reguliere zorg nog nooit ervaren dat het zorgproces gaat over wederkerige ontwikkeling. Daar wordt de ontwikkeling van de begeleider deskundigheidsbevordering genoemd, maar dat is iets anders dan de persoonlijke groei waarover het in de wederkerige ontwikkeling gaat. Hij benadrukt dat de inbreng van dergelijke inzichten heel goed mogelijk is zonder het gebruiken van antroposofische termen, ook voor niet-antroposofen.

Baars antwoordt hierop met een voorbeeld over euritmietherapie, ingezet bij een zorgprogramma hooikoorts, waarbij je lijf leert bepaalde in zich gestructureerde (bewegings)patronen over te nemen die blijkbaar een herstellende, gezondheidbevorderende werking hebben. Dat heeft wederom met ontwikkeling te maken en ook hier is in principe geen antroposofische taal nodig. Wat wel noodzakelijk is, is deze zaken op het spoor te komen en helder te maken dat het begrip wederkerigheid een rol speelt. Het lectoraat zoekt naar manieren om dit ontwikkelingsdenken uit te rollen en te verbreden. Dit doen ze door vier samengestelde zorgprogramma’s te optimaliseren en stapje voor stapje te verantwoorden. Mensen met hooikoorts komen er dan achter dat er andere werkende middelen zijn, waardoor je op een gegeven moment van je geijkte geneesmiddel afkomt. Dit als voorbeeld van maatschappelijke zichtbaarheid, exemplarisch voor de antroposofische gezondheidszorg. En zo blijken er zowel verschillen als overeenkomsten in hun benadering en visie te bestaan.

Tijd om een ander balletje op te gooien. Stel, beide onderzoekers zouden een geheel verzorgd weekend met elkaar gaan wandelen. Wat zou dit opleveren en waar worden de werkzaamheden wellicht binnen een gezamenlijk project ingevuld?

Erik Baars: ‘Mijn missie is de antroposofische zorg verder te helpen ontwikkelen en geaccepteerd te krijgen. We hebben in Nederland en in Europa overall weinig middelen om dat doel na te streven. Het is dan ook alleszins waard om alle onhebbelijkheden en dingen waar we elkaar niet in kunnen vinden even aan de kant te zetten en te kijken waar meerwaarde gecreëerd kan worden. Als we misschien één dingetje extra doen, dan hebben we daar allebei profijt van en levert het meer op voor het geheel. Als ik ons gesprek een beetje aftast, dan hebben wij op deze wandeling nog genoeg te bespreken om tot eind 2014 te doen wat we kunnen om elkaar te versterken. Niet omdat het allemaal moet, maar om dingen te doen die ons allebei en de missie iets opleveren.’

Hans Reinders: ‘Ja, ik ga graag met Erik op stap. Ik zou van de gelegenheid gebruik maken om weer wat verder komen in mijn begrip van de antroposofie en waar dat betekenis geeft. Ik kijk daar naar als een relatieve buitenstaander, maar om dat goed te snappen vind ik op zichzelf een mooi doel. Zo vind ik Steiner een overduidelijke representant van zijn tijd en als ik hem op die manier bekijk dan begrijp ik een heleboel. Toch is het goed om na te gaan wat ik er nu wel en niet van snap. Dan heb ik aan deze wandeling met Erik voorlopig wel weer even genoeg om over na te denken. Ook zal ik hem uitleggen hoe de plannen voor de leerstoel eruit zien. We gaan namelijk in een afgeslankte vorm verder. De beschikbare formatie is enkel die van mij en daarom lijkt het mij goed om het bij één project te houden en dit de komende vijf jaar verder uit te werken. Ik wil inhaken op onder andere het begrip “quality of life” en hiervoor dynamische methodieken ontwikkelen. Daarom houd ik het graag smal, hoewel er genoeg artikelen over te schrijven zijn...’

Erik Baars: ‘Voor mij gaat het om goede kwalitatieve kennis maken. Ik doe dit het liefst in de vorm van proefschriften, omdat je daarmee een garantie hebt op goede kennis en er komen artikelen, discussies, mensen met een PhD en een netwerk van (antroposofische) onderzoekers uit voort. Een ander thema is enkele voorbeelden van “best practices” eruit te lichten en deze te monitoren, bijvoorbeeld veilige geneesmiddelen die effect hebben. Als je dit niet kunt aantonen, dan houdt het op. Daar heeft Hans veel minder last van in zijn onderzoek, maar bij ons is het een must om op genoeg plekken te laten zien dat er meer is dan een placebo-effect. Anders ben je binnen tien jaar aan de kant geschoven.’

Hans Reinders: ‘Inderdaad, dit is een heel belangrijk gegeven. Dit verschil snappen zorgt ervoor dat je ziet waar de overlap ligt. Wat ik probeer is om de mensen die aan de touwtjes trekken af te helpen van het idee “one size fits all”. Alle parameters die in de geneeskunde gebruikt worden, worden via evidence based retoriek op alle sectoren uitgestort, ongeacht de vraag of dat wat er gemonitored moet worden zich daar voor leent. Het is mijn streven ze weg te krijgen van het idee dat je op exact dezelfde manier de kwaliteit van het werken in een papierwerkplaats kunt verantwoorden als dat je via de geneeskunde kunt verantwoorden of je tabletjes werken.’

Nu het beeld geschetst is van de komende jaren, wordt ook even stil gestaan bij de NVAZ-leden. Zij kunnen, behalve dat hun financiële bijdrage het onderzoek mogelijk maakt, wellicht ook nog een andere participerende rol vervullen.

Erik Baars: ‘Zonder de leden kan ik bijna niets doen, omdat de kennis in de handen en voeten zit van hen die zorg verlenen en omdat we de zorgpraktijk willen helpen optimaliseren. Wij hopen dus heel erg dat de NVAZ-leden bereid zijn om in die projecten mee te draaien, zodat wij iets kunnen doen voor het grotere geheel. Daarnaast is er de beleidsadviesgroep die wij deze periode nog breder hebben ingericht. Wij vragen deze mensen om met ons mee te denken in de beleidsvorming en te helpen strategisch richting te geven aan het lectoraat. Voor deze twee dingen zet ik de communicatie optimaal in, zodat het veld ziet dat we dingen doen die echt aan de orde zijn. Zo hebben we recent een RAAK-subsidie gekregen voor een project dat echt samen met het veld samen ontwikkeld gaat worden. Een prachtig vertrekpunt om plannen te kunnen realiseren!’

Hans Reinders: ‘De ontwikkeling van ons project zit in de gehandicaptenzorg, zonder principiële reden. Wat wij doen zou ook in een therapeuticum of in de psychiatrie kunnen. Gezien de algemene schreeuw om iets anders dan die becijfering en externe controle, ben ik er zeker voorstander van dit ook naar de andere sectoren uit te zetten, maar de praktijk moet dit nog aantonen. Ik hoop dat de NVAZ-leden zien wat de betekenis is. Ik zie dat de ontstane versmalling wellicht vragen oproept en dat ik soms te ver op afstand ben. Maar ik hoop antwoorden te kunnen geven die nieuwe mogelijkheden schetsen.’

Erik Baars: ‘Zowel de leerstoel als het lectoraat zijn gevraagd om te rapporteren aan de NVAZ-leden. Zo horen zij wat we aan het doen zijn en plaats je kennis en ervaring zodanig in een context dat het voor alle leden boeiend wordt. Dan is er nog het PAG (Platform Antroposofische Gezondheidszorg). Daar zou jij ook aan kunnen deelnemen. Dan ben je niet Hans Reinders op afstand, maar iemand die iets kan bieden voor de hele NVAZ.’

Hans Reinders: ‘Daar heb je een goed punt!’

Zo komen verschillende routes aan bod om onderzoek levendig te maken voor de leden. Door de wisselwerking tussen de onderzoekspraktijk en de vragen die terugkomen uit het veld, wordt zichtbaar dat er inderdaad een andere manier van kijken nodig is en dat deze in ontwikkeling is.

Hans Reinders: ‘Binnen ons project heeft een lidinstelling van de NVAZ hoog ingezet op dit type onderzoek om een gedegen discussie met hun zorgkantoor te kunnen voeren over kwaliteit van zorg en ondersteuning en over de vraag hoe je die zichtbaar maakt. Wat zij daarmee aan de kaak hopen te stellen is de manier om naar output van de antroposofische zorg te kijken. Hun weg daarin zou voor meer zorgaanbieders kunnen gelden en is zelfs een voorbeeld van innovatief handelen. In zoverre dat ze de zorgverzekeraar de vraag hebben gesteld: bedoelen jullie nu echt dat als kwaliteit meetbaar is, alles wat niet meetbaar is dan ook geen kwaliteit kan hebben? Nou, daar was door het zorgkantoor nog nooit op die manier over nagedacht; een nieuwe stap is gezet.’

Erik Baars: ‘Ik hoop dat in de afgelopen jaren ook bij besturen duidelijk is geworden dat we een soort bedreigde diersoort aan het worden zijn. Er zullen inderdaad stappen gezet moeten worden in het expliciet maken en verantwoording afleggen. Als we dat niet doen, ben ik bang dat we niet overleven. Ik denk dat die boodschap inmiddels aankomt. Ik heb zestien jaar midden in de praktijk gezeten en weet hoe ongelooflijk mooi de antroposofische gezondheidszorg bijdraagt. Maar ik weet ook welke beperkingen er zijn en wat er nog ontwikkeld moet worden. In die zin ben ik echt een bouwer. Ik probeer netwerken en onderzoekslijnen uit te zetten, zodat we die weg beter kunnen afleggen. Als ik mensen in dit proces mee neem en ze op weg help, zijn ze vaak heel dankbaar. De inzet en wens om het allemaal samen te doen – ieder vanuit zijn eigen kwaliteiten – is heel sterk.’

Laatste ronde, laatste boodschap...

Hans Reinders: ‘Ik vind het jammer dat de NVAZ zijn werkgroep onderzoek kwijt is. Dat was voor mij een belangrijke plek om feeling te hebben met verschillende aspecten van antroposofische zorg. Ik krijg nu minder zaken op mijn netvlies. Er zit structureel een groot verschil in hoe een lectoraat is opgebouwd en hoe een leerstoel functioneert. Leerstoelen zijn altijd nog koninkrijken. Lectoraten zijn bijvoorbeeld met een kenniskring opgetuigd; daar worden zaken in verband gebracht met elkaar. Als houder van een bijzondere leerstoel heb je bijvoorbeeld geen toegang tot het curriculum. Ik kan studenten via een briefje op het prikbord uitnodigen dat ze voor vrije punten bij mij college kunnen volgen. Erik zit op een heel andere manier in zijn veld verankerd. Vandaar dat ik die werkgroep een belangrijke bron van informatie vond.’

Erik Baars: ‘Overzicht – ik vind het belangrijk voor het veld dat er een totaalbeeld is van wat er allemaal gebeurt. Wij zijn momenteel wat rijker dan de NVAZ en willen graag een overzicht van onderzoeksprojecten maken en dit up to date te houden. Zo wordt het allemaal wat zichtbaarder. Hans zou hier bijvoorbeeld ook over zijn activiteiten kunnen vertellen. Het tweede is dat we een internationale nieuwsbrief willen maken om ook in Europa meer samenhang en consistentie te creëren. Bij de medische sectie is helemaal geen geld om zoiets te doen. Als we dit een paar keer per jaar doen, kan dat enorm veel helpen. Dit bieden wij het veld graag aan.’

Aan het einde van het gesprek lijkt het erop dat Erik Baars en Hans Reinders al aan hun wandeling begonnen zijn. In de antwoorden klinkt door dat er nog veel boeiende stappen gaan volgen en dat zij elkaar inderdaad goed aanvullen. De passie voor onderzoek is door beiden op zeer persoonlijke wijze vormgegeven. Bij de een zijn taal en tekst leidend in het grondig zoeken naar antwoorden en oplossingen. In dit proces is het begrip betekenisgeving zeer belangrijk, omdat cijfers en meetinstrumenten nooit een compleet verhaal vertellen. De bedoeling is wellicht om mensen kritisch te laten nadenken over wat ze eigenlijk aan het doen zijn en of middel en doel wel samen gaan. De ander is, vanuit een ongekende nieuwsgierigheid naar hoe de wereld in elkaar zit, bezig om aantoonbaar en inzichtelijk te maken dat de antroposofische gezondheidszorg veel moois te bieden heeft. Dit gaat gepaard met een ondernemerschap dat – door te bouwen aan netwerken en door met de beschikbare middelen samenwerking en innovatie te creëren – een optimaal resultaat beoogt dat iedereen ten goede komt. Deze ontmoeting en hun gezamenlijke zichtbaarheid zullen er aan bijdragen dat de begrippen kwaliteit en wederkerigheid de komende jaren nog vaak de revue zullen passeren binnen het brede onderzoeksveld... Een avontuurlijke route gewenst!

 
Site Meter